De legitieme portie

by
legitieme portie

Het recht op de legitieme portie is een recht dat de testeervrijheid van een persoon in zekere zin beperkt. Een ouder kan zijn kind onterven, maar dat wil niet zeggen dat het kind geen enkele aanspraak meer heeft op de nalatenschap. De wetgever heeft gemeend dat er een zedelijke plicht bestaat om ten minste een deel van het vermogen na te laten aan de naaste bloedverwanten. De legitieme portie is dan ook een van de wettelijke rechten die het mogelijk maken om in weerwil van een testament aanspraak te maken op de nalatenschap.

Alleen afstammelingen van erflater die op grond van de wet tot de nalatenschap als erfgenaam zijn geroepen, kunnen aanspraak maken op de legitieme portie. Plaatsvervullers kunnen in beperkte zin ook aanspraak maken op de legitieme portie, namelijk in het geval een persoon op het moment van het overlijden van erflater niet meer bestond dan wel indien die persoon onwaardig is om als erfgenaam op te treden. Er treedt geen plaatsvervulling op voor de legitieme portie ten aanzien van personen die de nalatenschap hebben verworpen, die zijn onterfd of van wie het recht is vervallen.

De legitieme portie is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater waarop de legitimaris in weerwil van giften en testament aanspraak kan maken. Dat betekent dat voor de berekening van de legitieme portie bepaalde giften bij de nalatenschap worden opgeteld.

De legitieme portie geeft een vorderingsrecht op de nalatenschap. Dat houdt in dat de legitimaris een schuldeiser van de nalatenschap is. Onder het oude erfrecht mocht de legitimaris nog aan de verdelingstafel zitten. In het huidige erfrecht is zijn positie echter verzwakt tot schuldeiser van de nalatenschap. De legitimaris heeft dan ook geen bemoeienis met de verdeling van de nalatenschap.

Om de legitieme portie te ontvangen dient de legitimaris aanspraak te maken op de legitieme portie. Het recht op de legitieme portie is in die zin gelijk te stellen met een wilsrecht. In het geval van faillissement kan dit wilsrecht worden uitgeoefend door de curator.

Een persoon die een bijstandsuitkering geniet zal aanspraak moeten maken op de legitieme portie daar anders wordt aangenomen dat hij een benadelingshandeling pleegt ten nadele van de Staat en dientengevolge zijn recht op een bijstandsuitkering verliest.

De aanspraak op de legitieme portie dient binnen vijf jaar na overlijden te worden gedaan. Deze termijn kan door de erfgenamen worden verkort door de legitimaris een redelijke termijn te stellen.

De berekening van de legitieme portie

De legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden. De uitkomst van deze berekening wordt ook wel de ‘legitimaire massa’ genoemd. Om de hoogte van de legitieme portie te bereken moet de legitimaire massa worden gedeeld door twee en vervolgens door het aantal personen die erflater achterlaat (kinderen en echtgenoot). Let wel: bij de berekening van de legitieme portie worden vooroverleden kinderen van erflater meegeteld.

De berekening van de legitieme portie wordt duidelijk gemaakt met het volgende voorbeeld.

Erflater overlijdt met achterlating van zijn echtgenote en 2 kinderen. De waarde van de goederen van de nalatenschap bedraagt € 280.000,-. Aan een van de kinderen is een gift gedaan van € 50.000,- die bij de nalatenschap dient te worden opgeteld. Er is een schuld van € 30.000,- waar rekening mee gehouden dient te worden. De legitimaire massa bedraagt in dit geval € 300.000,-. Het bedrag van € 300.000,- wordt nu eerst gedeeld door 2 wat een bedrag van € 150.000,- oplevert. Dit bedrag wordt vervolgens gedeeld door 3 wat een legitieme portie van € 50.000,- oplevert. Het versterferfdeel in dit voorbeeld bedraagt € 100.000,-. De legitieme portie bedraagt dan ook altijd de helft van een versterferfdeel.

Als er sprake is van een testament dat onder het oude erfrecht is opgemaakt, dient er rekening mee gehouden te worden dat een andere wijze van berekenen kan gelden.

Bij de berekening van de legitimaire massa dienen giften in aanmerking te worden genomen. Onder een gift wordt iedere handeling verstaan die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. De navolgende door erflater gedane giften worden in aanmerking genomen bij de berekening van de legitimaire massa:

  • giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld;
  • giften die de erflater gedurende zijn leven te allen tijde had kunnen herroepen of die hij bij de gift voor inkorting vatbaar heeft verklaard;
  • giften van een voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten;
  • giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is;
  • andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor zijn overlijden is geschied.

De achterliggende gedachte is voornamelijk dat samenspanning tussen erflater en andere kinderen wordt tegengegaan.

Bepaalde giften worden daarentegen niet aan in aanmerking genomen bij de berekening van de legitieme portie. Een gift die gedaan is aan personen aan wie erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, blijven buiten beschouwing. De giften blijven buiten beschouwing voor zover zij als uitvloeisel van die verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming waren met het inkomen en vermogen van erflater. Bepalend voor de vraag of er een morele verplichting bestaat zijn de onderhoudsbehoefte van de begiftigde, de financiële capaciteit van de schenker en de relatie tussen de begiftigde en de schenker. Evenzo blijven gebruikelijke giften, voor zover deze niet bovenmatig waren buiten beschouwing. Gedacht kan dan worden aan giften met verjaar- en feestdagen.

De hoofdregel is dat een gift of een andere schenking, voor zover deze de strekking heeft dat zij pas na overlijden van de schenker wordt uitgevoerd, en zij niet reeds tijdens het leven is uitgevoerd (een zogenaamde ‘schenking terzake des doods’), wordt aangemerkt als een legaat die ten laste komt van de gezamenlijke erfgenamen. Dit is van belang voor de inkorting en vermindering.

Indien er een gift is gedaan in de vorm van een goed, niet zijnde een geldbedrag, zal dat goed moeten worden gewaardeerd. De waarde van het goed wordt dan bij de legitimaire massa opgeteld. De hoofdregel is dat giften worden gewaardeerd naar het tijdstip van de prestatie, zijnde het tijdstip waarop de begiftigde feitelijk de beschikking kreeg over het goed. Rente en waardestijging nadien zijn dan ook niet relevant voor het bepalen van de waarde van het goed. Op deze hoofdregel bestaan echter wel een aantal uitzonderingen. Giften waarbij erflater zich het genot van het geschonkene gedurende zijn leven heeft voorbehouden en giften van een voordeel bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten, worden geschat naar de waarde onmiddellijk na overlijden van erflater.

Giften, bestaande in de vervreemding van een goed door de erflater tegen verschaffing door de wederpartij van een aan het leven van de erflater gebonden recht, worden gewaardeerd als een gift van dat goed, verminderd met de waarde van de door de erflater ontvangen (of hem bij zijn overlijden nog verschuldigde) prestaties, voor zover deze niet bestonden in genot van dat goed.

Zoals gezegd dienen ook schulden in aanmerking worden genomen bij de berekening van de legitimaire massa. Het gaat dan om schulden van erflater die niet teniet gaan met zijn dood, de kosten van lijkbezorging voor zover deze in overeenstemming zijn met de omstandigheden van erflater, de kosten van de vereffening van de nalatenschap, schulden die zijn ontstaan door bijvoorbeeld de vestiging van vruchtgebruik door de langstlevende echtgenoot, sommen ineens en andere wettelijke rechten die de testeervrijheid van erflater beperken.

De berekening van de legitimaire aanspraak

De legitieme portie staat niet gelijk aan de aanspraak die een legitimaris heeft. Om te bepalen waar de legitimaris daadwerkelijk recht heeft dient gekeken te worden naar dat wat hij al heeft gekregen of had kunnen krijgen.

Zo dient er rekening te worden gehouden met gedane giften ongeacht wanneer deze zijn gedaan. Dit geldt ook voor giften waarbij een vrijstelling van inbreng is gegeven. Deze giften worden overigens ook onbeperkt meegeteld bij de berekening van de legitimaire massa. Een uitkering uit een door erflater afgesloten levensverzekering aan legitimaris wordt gelijk gesteld met een gift. Verder dient ook rekening gehouden te worden met dat wat de legitimaris had kunnen krijgen. Dat kan bijvoorbeeld een legaat zijn of een (beperkt) erfdeel.

Alleen wanneer sprake is van een onterfd kind die niets op grond van het testament krijgt en ook nooit eerder een gift heeft ontvangen, is de legitieme portie gelijk aan de legitimaire aanspraak.

Zogenaamde ‘inferieure’ makingen ten gunste van de legitimaris komen bij verwerping daarvan echter niet in mindering op diens legitieme portie. Het gaat dan om erfstellingen waarbij goederen onder voorwaarde, een last of een bewind zijn nagelaten of waarbij legaten zijn gemaakt die verplichten tot iets anders dan betaling van een geldbedrag of overdracht van goederen van de nalatenschap.

Als een legitimaris de ‘inferieure’ making aanvaardt, dan komt de waarde in mindering op zijn legitieme portie. Als de legitimaris de ‘inferieure’ making niet wil aanvaarden, dan zal hij de nalatenschap moeten verwerpen. Om toch aanspraak te kunnen maken op de legitieme portie, zal de legitimaris dat reeds bij de verwerping moeten verklaren (de zogenaamde ‘contantenverklaring’). De legitimaris heeft in dit geval recht op de legitieme portie zonder dat daarop in mindering wordt gebracht hetgeen hij had kunnen krijgen. De mogelijkheid tot het afleggen van een contantenverklaring bestaat alleen in de eerste drie maanden na overlijden. Deze termijn kan door de Kantonrechter worden verlengd.

Er zijn twee gevallen waarin een making het karakter heeft van een ‘inferieure’ making, maar het inferieure karakter wordt opgeheven op grond van de wet. Dit is als eerste het geval indien een legaat in termijnen aan de legitimaris uitbetaald dient te worden, zulks ter bescherming van de continuïteit van een beroep of bedrijf van erflater. Zonder de betalingsregeling zou de voortzetting van het beroep of bedrijf van erflater ernstig worden bemoeilijkt. Als echter de legitimaris het niet eens is met de betaling in termijnen, kan hij verklaren dat hij de betaling van de contante waarde ineens verlangt. De bedrijfsopvolger moet dan vervolgens aantonen dat bij betaling ineens de voorzetting van het beroep of bedrijf van erflater in gevaar komt. Ook hier geldt dat de termijn van 3 maanden kan worden verlengd door de Kantonrechter. De legitimaris dient binnen 3 maanden na overlijden de verklaring te doen dat hij de volledige betaling van de contante waarde direct verlangt en dus niet in termijnen. Na verloop van de termijn zijn de mogelijkheden voor de legitimaris tot betaling ineens beperkter.

Het tweede geval is de instelling van testamentair bewind vanwege het feit dat de legitimaris ongeschikt of onmachtig is in het beheer van de verkregen goederen te voorzien, of dat zonder het bewind de goederen hoofdzakelijk aan diens schuldeisers zouden toekomen. Hieraan wordt niet alleen voldaan als de legitimaris zelf niet de capaciteiten heeft om dat wat hij heeft gekregen te beheren, maar ook als hij niet in staat is te voorzien in het beheer door dit aan een geschikte persoon op te dragen en over te laten. De vraag of aan dit criterium wordt voldaan, dient te worden bepaald naar het tijdstip van overlijden van erflater. Ook in dit geval kan de legitimaris de grond betwisten.

De vordering van de legitimaris

Als de wettelijke verdeling van toepassing is, heeft de legitimaris een vordering op de echtgenoot van erflater. Als de wettelijke verdeling niet van toepassing, heeft de legitimaris een vordering op de gezamenlijke erfgenamen. De vordering is een schuld van de nalatenschap. De vordering uit hoofde van de legitieme portie is van hogere rang dan de vordering uit hoofde van een legaat.

Het kan voorkomen dat de nalatenschap van onvoldoende omvang is om de vordering van de legitimaris te voldoen. Erfgenamen zijn niet verplicht de vordering van de legitimaris te voldoen voor zover deze de waarde van de nalatenschap overstijgt. Als de vordering van de legitimaris de waarde van de nalatenschap overstijgt, kan hij eventueel zijn vordering verhalen door inkorting op gedane giften. De begiftigden zullen in dat geval aangesproken moeten worden.

De vordering van de legitimaris is eerst opeisbaar na zes maanden na overlijden van erflater. In een aantal gevallen is ook na deze zes maanden de vordering nog niet opeisbaar. Dit is het geval in de volgende situaties:

  • als de wettelijke verdeling van toepassing is. De vordering is in dit geval eerst opeisbaar na het overlijden van de echtgenoot van erflater, alsook op het moment dat deze in staat van faillissement komt te verkeren of de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard;
  • zolang de goederen van de nalatenschap kunnen worden belast met een vruchtgebruik (zijnde een van de andere wettelijke rechten dan het recht op de legitieme portie). De vordering uit hoofde van de legitieme portie is niet opeisbaar zolang het vruchtgebruik voortduurt;
  • als erflater in zijn testament een niet-opeisbaarheidsclausule heeft opgenomen. De vordering uit hoofde van de legitieme portie wordt in dat geval opeisbaar op het moment zoals beschikt in het testament. Erflater kan in zijn testament bepalen dat de legitieme vordering op een eerder moment opeisbaar is, dan op het moment van overlijden van zijn echtgenoot. Evenzo kan erflater bepalen dat de vordering pas opeisbaar wordt na het overlijden zijn echtgenoot of zijn levensgezel met wie hij een gemeenschappelijke huishouding voert en waartoe tevens een notariële samenlevingsovereenkomst is aangegaan.

Inkorting van makingen en giften

De vordering van een legitimaris is een schuld van de nalatenschap. Dat betekent dat de vordering voorrang heeft op erfstellingen. Eerst zal de vordering voldaan moeten worden alvorens een erfdeel of legaat uitgekeerd kan worden. Als de nalatenschap onvoldoende van omvang is om de vordering van de legitimaris te voldoen, zal inkorting op giften moeten plaatsvinden. Inkorting vindt plaats in een bepaalde volgorde.

Erven de plaatsvervullers van de onterfde legitimaris, dan zal er eerst inkorting moeten plaatsvinden op het erfdeel van deze plaatsvervullers. Erfstellingen en legaten zullen in beginsel naar evenredigheid ingekort moeten worden. Het testament van erflater kan hierover echter wel iets anders bepalen. Als sprake is van een making ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, wordt deze making pas na andere makingen ingekort. Een natuurlijke verbintenis bestaat onder andere wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Erfgenamen zullen jegens legitimaris zorg moeten dragen voor evenredige inkorting van legaten. Dit omdat de legitimaris een schuldeiser is van de nalatenschap en zijn vordering hoger in rang staat dan die van de legataris.

Zoals gezegd kan ook inkorting op de daarvoor in aanmerking komende giften plaatsvinden. De laatst gedane gift komt als eerste voor inkorting in aanmerking. Let wel: een uitkering uit een levensverzekering wordt als gift gezien, gedaan op het tijdstip van overlijden van erflater. De inkorting wordt gedaan door daartoe een verklaring te doen aan de begiftigde.