Verdeling

by
verdeling

Door erfopvolging ontstaat er vaak een onverdeelde gemeenschap. Deze gemeenschap is voor verdeling vatbaar. Gedurende de periode dat de gemeenschap niet is verdeeld, staan de erfgenamen als deelgenoten tot elkaar in een rechtsverhouding die wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Het verdelen van een nalatenschap is veelal een aangelegenheid die in de praktijk leidt tot ruzies en conflicten. Veel procedures gaan dan ook over de verdeling van de nalatenschap of hebben dat als uiteindelijk doel.

Het verdelen zelf kan grofweg in verschillende aspecten worden onderscheiden. Veelal begint de verdeling op het moment waarop de deelgenoten om de tafel gaan zitten om te bezien hoe zij de onverdeelde gemeenschap kunnen gaan verdelen (de rechter kan hiertoe ook het bevel geven). In bepaalde gevallen kan besloten worden de verdeling voorlopig nog uit te stellen (ook de rechter kan dat bepalen). Het tweede aspect is het vaststellen van de wijze waarop de verdeling zal plaatsvinden (bij geschillen kan de rechter hierover beslissen). Wordt bijvoorbeeld de woning aan een deelgenoot toebedeeld en dient hij de andere deelgenoten ‘uit te kopen’ of dient de woning in de verkoop te worden gezet en dient de opbrengst onder de deelgenoten te worden verdeeld. In het kader van dit aspect spelen veelal de financiële mogelijkheden van partijen een belangrijke rol. Het derde aspect is het vaststellen van de verdeling zelf, namelijk het definitief vaststellen van de verdeling en het vaststellen van de overbedelingsvorderingen (ook de rechter kan verzocht worden de verdeling vast te stellen). In het testament kan overigens een afwikkelingsbewindvoerder zijn benoemd die de exclusieve bevoegdheid is toegekend om de verdeling vast te stellen. Na het vaststellen van de verdeling dient – en dat is het vierde aspect – uitvoering te worden gegeven aan de vastgestelde verdeling. Een woning moet bijvoorbeeld worden geleverd bij notariële akte. Indien deelgenoten hun medewerking hieraan weigeren te verlenen kunnen daartoe verschillende rechtsmaatregelen worden getroffen.

Verdelen is zodoende zowel een praktische als een juridische lastige aangelegenheid. Terwijl welwillende partijen snel een verdeling tot stand kunnen brengen, kan één onwelwillende partij – en wellicht om goede redenen – roet in het eten gooien en zorgen voor ellenlange procedures.

Het verdelen van een nalatenschap wijkt niet zo heel veel af van andere (bijzondere) gemeenschappen zoals bijvoorbeeld een huwelijksgoederengemeenschap. Toch zijn er wel een paar zaken waar bij de verdeling van de nalatenschap op gelet moet worden. Gedacht dient dan te worden aan de toerekening van schulden en de inbreng van giften.

De rechtsverhouding tussen erfgenamen wordt – zoals gezegd – beheerst door de normen van redelijkheid en billijkheid. Een erfgenaam die opzettelijk tot de nalatenschap behorende goederen verzwijgt, zoekt maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten. Als een erfgenaam nog een schuld heeft aan de nalatenschap dan zal hij dat moeten melden aan de andere erfgenamen. Evenzo zal een erfgenaam juiste inlichtingen aan legitimarissen moeten geven inzake door hem ontvangen, voor inkorting vatbare of aan inbreng onderworpen giften.

Toerekening van schulden en inbreng van giften

Het kan zijn dat een erfgenaam nog geld schuldig is aan de nalatenschap. De andere erfgenamen kunnen dan verlangen dat in het kader van de verdeling die schuld wordt toegerekend aan de schuldenaar die tevens erfgenaam is. Strikt genomen is hier – juridisch gezien – geen sprake van verrekening maar van vermenging.

In de praktijk wil er nog wel eens een misverstand bestaan over de vraag of door erflater bij leven gedane giften ingebracht dienen te worden. De wet bepaalt daar heel duidelijk het volgende over:

Erfgenamen zijn verplicht ten behoeve van hun mede-erfgenamen de waarde van de hun door de erflater gedane giften in te brengen, voor zover de erflater dit, hetzij bij de gift hetzij bij uiterste wilsbeschikking, heeft voorgeschreven.

Een bij de gift opgelegde verplichting tot inbreng kan bij uiterste wilsbeschikking worden ongedaan gemaakt.

Een gift dient dus alleen te worden ingebracht als erflater dat bij de gift of bij testament heeft bepaald. Gesproken wordt over een gift ‘onder verplichting van inbreng’. Giften worden in dat geval behandeld als een ‘voorschot op het erfdeel’. De gift wordt in mindering gebracht op het aandeel van de erfgenaam aan wie de gift is gedaan. De verplichting tot inbreng heeft dus tot gevolg dat een erfgenaam per saldo uit de nalatenschap minder verkrijgt dan de waarde van zijn erfdeel. Inbreng is niet verplicht zover de waarde van de gift groter is dan de waarde van het erfdeel.

De hoofdregel is dat giften worden gewaardeerd naar het tijdstip van de prestatie, zijnde het tijdstip waarop de begiftigde feitelijk de beschikking kreeg over het goed. Rente en waardestijging nadien zijn dan ook niet relevant voor het bepalen van de waarde van de gift. Op deze hoofdregel bestaan echter wel een aantal uitzonderingen. Giften waarbij erflater zich het genot van het geschonkene gedurende zijn leven heeft voorbehouden en giften van een voordeel bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten, worden geschat naar de waarde onmiddellijk na overlijden van erflater.

Giften, bestaande in de vervreemding van een goed door de erflater tegen verschaffing door de wederpartij van een aan het leven van de erflater gebonden recht, worden gewaardeerd als een gift van dat goed, verminderd met de waarde van de door de erflater ontvangen (of hem bij zijn overlijden nog verschuldigde) prestaties, voor zover deze niet bestonden in genot van dat goed.