<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Mr. A.C. de Bakker</title>
	<atom:link href="https://www.erfrechtonline.nl/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://www.erfrechtonline.nl/</link>
	<description>Advocaten &#38; Erfrechtspecialisten</description>
	<lastBuildDate>Mon, 20 Apr 2026 17:18:59 +0000</lastBuildDate>
	<language>nl-NL</language>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	

<image>
	<url>https://www.erfrechtonline.nl/wp-content/uploads/2022/05/cropped-FAV-LOGO-header-in-bruin_-1-32x32.png</url>
	<title>Mr. A.C. de Bakker</title>
	<link>https://www.erfrechtonline.nl/</link>
	<width>32</width>
	<height>32</height>
</image> 
	<item>
		<title>Er is niets nieuws onder de zon!</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/er-is-niets-nieuws-onder-de-zon/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 05 Jan 2026 21:20:08 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2714</guid>

					<description><![CDATA[<p>Wist je dat de Romeinen zo’n 2000 jaar geleden ook al veel rechtszaken voerden over erfrechtkwesties. In veel gevallen gaat het in de kern om dezelfde rechtsproblemen die nu nog steeds voorkomen. Is het testament wel geldig? Is er sprake van een verboden beschikking? Kan het legaat wel uitgevoerd worden? Enigszins toevallig stuitte ik op [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/er-is-niets-nieuws-onder-de-zon/">Er is niets nieuws onder de zon!</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">Wist je dat de Romeinen zo’n 2000 jaar geleden ook al veel rechtszaken voerden over erfrechtkwesties. In veel gevallen gaat het in de kern om dezelfde rechtsproblemen die nu nog steeds voorkomen. Is het testament wel geldig? Is er sprake van een verboden beschikking? Kan het legaat wel uitgevoerd worden? Enigszins toevallig stuitte ik op de rede van prof. mr. J.E. Spruit die hij in 1973 uitsprak bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar.<a id="_ftnref1" href="#_ftn1">[1]</a> &nbsp;De rede draagt de titel: “<em>C. Plinius Caecilius secundus en het erfrecht van zijn tijd</em>.” In de rede worden drie kwesties genoemd die gaan over vormgebreken bij het maken van uiterste wilsbeschikkingen. Telkens is de spanning voelbaar tussen enerzijds de rechtszekerheid en anderzijds het geven van uitvoering aan de kenbare wil van de erflater. Het gaat dan om de volgende drie kwesties (de citaten komen uit voornoemde rede van Spruit).<br><br><strong><u>Casus 1</u></strong>: Saturnius benoemt in zijn testament drie erfgenamen, namelijk Plinius, Calvisius Rufus en de gemeente Comun. Probleem is echter dat het niet mogelijk is om de gemeente Comun tot erfgenaam te benoemen. De gemeente Comun is namelijk een zogenaamde ‘persona incerta’, een persoon met een te onbepaalde identiteit. Tot het einde van de eerste eeuw na Christus was een erfstelling en een legaat ten gunste van een ‘persona incerta’ nietig. Plinius en Calvisius Rufus zouden zich dus op de nietigheid van de erfstelling kunnen beroepen. Plinius doet dat echter niet en stelt aan Calvisius Rufus voor om de erfstelling in het testament te respecteren. <br><br>Plinius voelde in deze een morele plicht om de wil van de erflater die hij op ondubbelzinnig wijze kenbaar heeft gemaakt in zijn testament uit te voeren. Spruit schrijft hierover: “<em>Plinius werd alom geacht als een hoogstaand en gewetensvol mens. Zijn standpunt in onderhavige erfrechtelijk kwestie is bijzonder illustratief voor de hoge morele en ethische normen, die hij als fundament van zijn handelen in acht placht te nemen en is voorts tekenend voor zijn sociale bewogenheid en de mildheid van zijn karakter.</em>” De voluntas defuncti (de wil van de erflater) was voor Plinius het richtsnoer voor zijn handelen. Dat blijkt ook uit de volgende twee kwesties.<br><br><strong><u>Casus 2</u></strong>: Sabina benoemt bij testament Plinius en Statius Sabinus tot erfgenamen. In haar testament stond ook een legaat ten gunste van haar slaaf Modestus. Legaten konden echter niet zonder meer ten gunste van slaven worden gemaakt. De bedoeling van erflaatster was echter evident. De bedoeling van erflaatster was dat Modestus direct bij aanvaarding van het legaat zijn vrijheid kreeg en Romeins burger werd. Probleem was echter dat de juiste juridische&nbsp;‘formule’ daartoe in het testament ontbrak. Het legaat had daardoor geen rechtskracht. Plinius komt echter met zijn mede-erfgenaam Statius Sabinus overeen om Modestus toch vrij te maken.<br><br><strong><u>Casus 3</u></strong>: Minicius Acilianus heeft Plinius in zijn testament benoemd tot zijn erfgenaam. In een codicil neemt hij tevens een aantal aanvullende beschikkingen op ten gunste van derden, maar hij vergeet het codicil in zijn testament te bevestigen. Dat had volgens de wettelijke bepalingen van die tijd wel gemoeten. De beschikkingen in het codicil dienen dan ook ‘pro non scripto’ (als voor niet geschreven) te worden gehouden. Plinius besluit echter de nietige wilsbeschikkingen in het codicil toch uit te voeren, wat als schenking werd gekwalificeerd.<br><br>In alle drie de casussen gaat het om een ondubbelzinnig kenbare wil van een erflater die uit een door de erflater opgestelde (en onbetwiste) akte blijkt, maar waarbij sprake is van vormgebreken waardoor de wilsbeschikkingen nietig zijn. Telkens kiest Plinius ervoor om de uiterste wil van de erflater uit te voeren onder negering van de formeel-juridische aspecten. Spruit schrijft hierover: “<em>In het algemeen acht hij de wil van de erflater van een hogere orde dan de vorm, waarin deze gegoten is</em>.”<br><br>Ook in onze tijd doet de vraag zich regelmatig voor hoe om te gaan met vormgebreken bij uiterste wilsbeschikkingen. Wat is recht als er bijvoorbeeld al een concept testament ligt, maar de erflater overlijdt kort voordat het testament wordt gepasseerd. Is het dan juist dat het concept testament wordt gevolgd of heeft zo’n concept geen rechtskracht. Recent is hierover nieuwe jurisprudentie ontstaat (zie Rechtbank Gelderland 12 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:1077). Steeds meer lijkt het erop dat rechters ruimte zoeken (wettelijke bepalingen oprekken) met toepassing van de ‘redelijkheid en billijkheid’. Op zich is dat een mooie ontwikkeling, tegelijkertijd komt daarmee de rechtszekerheid meer onder druk te staan.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Voornoemde casussen leren ons dat het recht een instrument is om geschillen op te lossen en dat ethisch handelen om meer vraagt dan het onverkort een beroep doen op wettelijke rechten. Ethisch handelen vraagt ook een kijken naar de ‘plichtenkant’. Het gaat bij ethisch handelen niet alleen om ‘recht hebben op’, maar ook om ‘een verplicht zijn tot’. Nog een keer Spruit: “<em>Het was de humanitas van Plinius, die hem gebood om van verwezenlijking van zijn recht af te zien en de nietige wilsbeschikkingen als waren zijn rechtsgeldig. (…) Plinius overwoog de situatie op grondslag van buiten de sfeer van het recht liggende ethische normen en kwam daardoor tot een conclusie, die diametraal tegenover die van de juristen van zijn tijd stond;</em>”<br><br>Waren die Romeinen 2000 jaar geleden dan zoveel nobeler dan de hedendaagse mens? Dat dan ook weer niet. Spruit schijft hierover: “<em>De talloze geschillen van juist erfrechtelijke aard en de vele uitspraken en adviezen, die zich concentreren rondom het probleem van de interpretatie van beschikkingen in het testament, tonen wel aan dat realiseren van deze beschikkingen de Romeinse juristen genoeg hoofdbrekens kostte; zij wettigen ok de stelling, dat men het fatsoen van de gemiddelde belanghebbende Romein in een aangelegenheid van erfrechtelijke aard niet moet idealiseren en zeker niet hoger moet aanslaan dan dat va de gemiddelde moderne mens.</em>” Maar dat neemt niet weg dat we nog steeds wat kunnen leren van de Romeinen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Auteur: mr. A.C. de Bakker</p>



<p class="has-small-font-size wp-block-paragraph"><a href="#_ftnref1" id="_ftn1">[1]</a> Prof. mr. J.E. Spruit was hoogleraar rechtsgeschiedenis en Romeins Recht aan diverse universiteiten (Leiden, Utrecht, Maastricht, Curaçao).</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/er-is-niets-nieuws-onder-de-zon/">Er is niets nieuws onder de zon!</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Procederen over de verdeling</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/procederen-over-de-verdeling/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 08 Feb 2025 10:03:53 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2604</guid>

					<description><![CDATA[<p>Procederen over de verdeling van een nalatenschap kan behoorlijk ingewikkeld zijn. Hoe stel je een vordering tot verdeling in? Hoe voer je verweer? En welke beslissingen kan een rechter nemen? In deze blog wordt kort ingegaan op enkele belangrijke procesrechtelijke aspecten van de verdelingsprocedure. Grondslag van de vordering tot verdeling Voor het instellen van een [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/procederen-over-de-verdeling/">Procederen over de verdeling</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">Procederen over de verdeling van een nalatenschap kan behoorlijk ingewikkeld zijn. Hoe stel je een vordering tot verdeling in? Hoe voer je verweer? En welke beslissingen kan een rechter nemen? In deze blog wordt kort ingegaan op enkele belangrijke procesrechtelijke aspecten van de verdelingsprocedure.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Grondslag van de vordering tot verdeling</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor het instellen van een vordering bij de rechter is een wettelijke grondslag nodig. De wettelijke grondslag voor het vorderen van de verdeling van een nalatenschap is te vinden in art. 3:185 BW. Dit artikel bepaalt het volgende:</p>



<ol class="wp-block-list">
<li><em>Voor zover de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is, over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, gelast op vordering van de meest gerede partij de rechter de wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.</em></li>



<li><em>Als wijzen van verdeling komen daarbij in aanmerking:</em>
<ul class="wp-block-list">
<li><em>toedeling van een gedeelte van het goed aan ieder der deelgenoten;</em></li>



<li><em>overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde;</em></li>



<li><em>verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht.</em></li>
</ul>
</li>



<li><em>(…)</em></li>
</ol>



<p class="wp-block-paragraph">De rechter kan dus bepalen dat (bijvoorbeeld) de woning wordt verkocht, maar kan ook bepalen dat een woning aan een erfgenaam wordt toebedeeld, waarbij die erfgenaam de anderen dient te compenseren. In de praktijk wordt in het laatste geval ook wel gesproken over het uitkopen van de andere erfgenamen. Alhoewel de term ‘koop’ juridisch niet juist is en deze termijn partijen op het verkeerde been kan zetten (ook procesrechtelijk), maakt de term wel duidelijk wat er feitelijk gebeurd bij de toedeling van een goed.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beoordelingsvrijheid van de rechter</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">In de procedure kan elke erfgenaam aangeven hoe hij de beoogde verdeling van de nalatenschap voor zich ziet. Advocaten willen nog wel eens in het petitum van de dagvaarding (dat is de conclusie waarin wordt aangegeven wat men nu eigenlijk van de rechter wil) zeer uitgebreid de beoogde verdeling uitschrijven, terwijl dat ook al in het lichaam van de dagvaarding is gedaan. Dit uitschrijven in het petitum is in veel gevallen onnodig en maakt het processtuk onnodig lang (en soms ook moeilijk leesbaar).</p>



<p class="wp-block-paragraph">Uitgangspunt is namelijk dat de rechter (die de verdeling vaststelt) een discretionaire bevoegdheid heeft. Dat betekent dat de rechter niet gebonden is aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd. Bovendien behoeft de rechter niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen over en weer aanvoeren. Dit is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld Hof Den Haag d.d. 12 december 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY7428).</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het kan dus zijn dat de rechter de verdeling anders vaststelt dan de erfgenamen willen. Stel dat beide erfgenamen de woning toebedeeld willen krijgen, dan zou de rechter kunnen bepalen dat de woning verkocht moet worden. De vrijheid van de rechter is echter niet grenzeloos. Zijn vrijheid wordt beperkt door de motiveringsplicht. De rechter zal moeten motiveren waarom hij op een bepaalde manier van zijn discretionaire bevoegdheid gebruikmaakt, dit mede gezien het tussen partijen gevoerde debat (zie HR 6 maart 1992, NJ 1992/373).</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>(On)mogelijkheden van de verdelingsrechter</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zoals uit voorgaande blijkt komt de verdelingsrechter dus een grote beslisvrijheid toe. Maar waar vindt die vrijheid zijn grenzen? In twee recente conclusies van de PG (adviseur van de Hoge Raad) wordt meer duidelijkheid gegeven.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Mag de rechter een meerwaardeclausule aan de vastgestelde verdeling verbinden? Volgens de PG kan de rechter dat inderdaad doen (zie conclusie PG van 17 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:60). Letterlijk overweegt de PG:</p>



<p class="wp-block-paragraph">“<em>Het opnemen van een meerwaardeclausule kan dienstig zijn om eventuele onwenselijke gevolgen van een bepaalde waardering te voorkomen, bijvoorbeeld indien de waardering afwijkt van de waarde in het economisch verkeer en het goed na toedeling binnen een bepaalde periode toch op de markt wordt gebracht.&nbsp;Als zodanig maakt een meerwaardeclausule deel uit van de naar redelijkheid tot stand te brengen&nbsp;verdeling&nbsp;ex art. 3:185 BW.&nbsp;</em>“</p>



<p class="wp-block-paragraph">Mag de rechter de waardering van een goed (bijvoorbeeld een woning) uitbesteden aan een taxateur en bepalen dat diens oordeel bindend is? Dat kan volgens de PG niet. De verdeling moet namelijk worden vastgesteld door de rechter en die bevoegdheid mag hij niet delegeren (zie conclusie PG 6 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1323). Letterlijk overweegt de PG:</p>



<p class="wp-block-paragraph">“<em>Ofschoon de rechter bij de verdelingsbeslissing aldus een grote mate van vrijheid wordt toegekend, ben ik met verweerder&nbsp;van mening dat die vrijheid uitsluitend betrekking heeft op de wijze van&nbsp;verdeling&nbsp;als zodanig. Uit de betreffende bronnen valt niet af te leiden dat deze vrijheid tevens de bevoegdheid inhoudt om de waardering van een te verdelen gemeenschappelijk goed zonder meer aan een derde over te laten. Dat verdraagt zich niet met de positie van de rechter en de deskundige in het civiele proces in het algemeen.</em>”<br><br>Uiteraard mag de rechter een taxateur benoemen. Maar partijen zullen in de gelegenheid gesteld moeten worden om opmerkingen te maken op het taxatierapport en de rechter zal uiteindelijk definitief de waarde moeten vaststellen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Is het instellen van een tegenvordering (eis in reconventie) nodig?</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Als een deelgenoot het niet eens is met een door de andere deelgenoot voorgestelde verdeling is het niet noodzakelijk om in de procedure een tegeneis (oftewel: een eis in reconventie) in te stellen. Het voeren van verweer waarin de eigen zienswijze naar voren wordt gebracht, is voldoende (zie bijvoorbeeld: Rechtbank Breda d.d. 26 september 2007, ECLI:NL:RBBRE:2007:BB7060).</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het instellen van een eis in reconventie kan de procedure onnodig complex maken en langer laten duren. De andere partij heeft namelijk het recht om weer schriftelijk te mogen reageren op de tegeneis. Dit kan overigens ook om tactische redenen niet handig zijn. Anderzijds is het soms wel handig om de mogelijkheid te behouden om gedurende de procedure de (tegen)eis in reconventie te kunnen vermeerderen (bijvoorbeeld als er nieuwe geschilpunten ontstaan). Om een eis (in reconventie) te kunnen vermeerderen moet er al wel in het eerste processtuk (de conclusie van antwoord) een tegeneis zijn ingesteld. Zo niet, dan kun je dus later in de procedure geen tegeneis meer instellen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Heeft u bijstand nodig bij de verdeling van een nalatenschap, neem dan <a href="https://www.erfrechtonline.nl/contact/">contact</a> met ons.</p>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/procederen-over-de-verdeling/">Procederen over de verdeling</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>De procespositie van een belanghebbende</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/de-procespositie-van-een-belanghebbende/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 21 Dec 2024 06:37:53 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2580</guid>

					<description><![CDATA[<p>Hoe zit het met de procespositie van belanghebbenden in een verzoekschriftprocedure? Wie zijn belanghebbenden en welke procesrechten hebben ze? Daarover het volgende. De Hoge Raad oordeelde eerder dat de procespositie niet in zijn algemeenheid aan te geven is wie in een verzoekschriftprocedure als belanghebbende moet worden aangemerkt. Dit moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/de-procespositie-van-een-belanghebbende/">De procespositie van een belanghebbende</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">Hoe zit het met de procespositie van belanghebbenden in een verzoekschriftprocedure? Wie zijn belanghebbenden en welke procesrechten hebben ze? Daarover het volgende.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De Hoge Raad oordeelde eerder dat de procespositie niet in zijn algemeenheid aan te geven is wie in een verzoekschriftprocedure als belanghebbende moet worden aangemerkt. Dit moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid (HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 149). Later voegde de <a href="https://www.hogeraad.nl/" target="_blank" rel="noreferrer noopener nofollow">Hoge Raad </a>daaraan toe dat daarbij tevens gekeken moet worden in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure in zijn eigen belang getroffen worden (HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486). In veel familie- en erfrechtzaken zijn de kinderen/erfgenamen aan te merken als belanghebbenden.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Kun je cassatieberoep instellen als je niet bent opgeroepen in de procedure bij het Hof en de rechtbank? Ja, dat kan. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen namelijk mee dat moet worden aangenomen dat de in art. 426 lid 1 Rv gebezigde woorden “<em>in een der vorige instantiën verschenen</em>”, niet de strekking hebben om beroep in cassatie uit te sluiten als de niet-verschenen belanghebbende buiten zijn schuld niet in de vorige instantie is verschenen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Wat moet een rechter doen als hij pas op de zitting er achter komt dat er nog meer belanghebbenden zijn? Kan hij volstaan met het geven van de mogelijkheid aan die belanghebbenden om schriftelijk te reageren op het proces-verbaal van de zitting? Nee, dan kan niet. De Hoge Raad (HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1892) oordeelde hierover als volgt :<br><br>“<em>Uit hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, volgt dat het hof in deze zaak, toen het constateerde dat twee van de kinderen van de moeder ten onrechte niet voor de mondelinge behandeling waren opgeroepen, geen verweerschrift hadden ingediend en niet waren verschenen op de mondelinge behandeling, een nieuwe mondelinge behandeling had moeten gelasten en deze twee kinderen daarvoor had moeten oproepen. Daaraan doet niet af dat het hof deze twee kinderen na afloop van de mondelinge behandeling in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, aangezien niet blijkt dat zij daarbij in de gelegenheid zijn gesteld alsnog gebruik te maken van hun processuele rechten. De klacht slaagt</em>.”</p>



<p class="wp-block-paragraph">Bent u belanghebbende in een procedure en op zoek naar rechtsbijstand? De advocaten van ons kantoor <a href="https://www.erfrechtonline.nl/contact/">helpen u graag</a>.</p>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/de-procespositie-van-een-belanghebbende/">De procespositie van een belanghebbende</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Griffierechten 2025 &#8211; vereffening van de nalatenschap</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/griffierechten-2025-vereffening-van-de-nalatenschap/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 07 Dec 2024 10:40:05 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2575</guid>

					<description><![CDATA[<p>Op 22 november 2024 werden de nieuwe (verhoogde) griffierechten voor het jaar 2025 in de Staatscourant bekend gemaakt. Wat betekent dat voor de (zware) vereffening van een nalatenschap? We zetten het op een rijtje. &#8211; Verzoek benoeming Vereffenaar (art. 4:203/204 BW): € 331,- (was € 320,-) &#8211; Verzoek termijn voor oproepen schuldeisers (art. 4:214 lid 1 [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/griffierechten-2025-vereffening-van-de-nalatenschap/">Griffierechten 2025 &#8211; vereffening van de nalatenschap</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">Op 22 november 2024 werden de nieuwe (verhoogde) griffierechten voor het jaar 2025 in de Staatscourant bekend gemaakt. Wat betekent dat voor de (zware) vereffening van een nalatenschap? We zetten het op een rijtje.</p>



<p class="wp-block-paragraph">&#8211; Verzoek benoeming Vereffenaar (art. 4:203/204 BW): € 331,- (was € 320,-)</p>



<p class="wp-block-paragraph">&#8211; Verzoek termijn voor oproepen schuldeisers (art. 4:214 lid 1 BW): € 90,- (was € 87,-)</p>



<p class="wp-block-paragraph">&#8211; Neerlegging boedelbeschrijving (art. 4:211 lid 3 BW): geen griffierechten verschuldigd.</p>



<p class="wp-block-paragraph">&#8211; Neerleggen verificatielijst (art. 4:214 lid 5 BW): geen griffierechten verschuldigd.</p>



<p class="wp-block-paragraph">&#8211; Vaststellen loon vereffenaar (art. 4:206 lid 3 BW): € 90,- (was € 87,-)</p>



<p class="wp-block-paragraph">&#8211; Neerleggen uitdelingslijst en rekening en verantwoording (art. 4:218 lid 1 BW): € 797,- (was € 768,-). Dit is een hoog tarief op grond van artikel 18 lid 2 Wgbz jo 17 lid 1 Wgbz.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het totaal aan griffierechten bedraagt (als de vereffening zonder al te veel poespas plaatsvindt) € 1.308,- (in 2024 was dat nog € 1.262,-). Het totaal aan griffierechten kan oplopen als er tijdens de vereffening  verzoeken gedaan worden tot bijvoorbeeld het opheffen van beslagen (art. 4:223 lid 3 BW) of het vaststellen van een voorschot op het loon van de vereffenaar (art. 4:206 lid 3 BW), of als er procedures gevoerd moeten worden over de tegeldemaking van goederen (art. 4:215 2 BW) of als er verzet wordt ingesteld tegen de uitdelingslijst (art. 4:218 lid 3 BW). Gezien de verschuldigde griffierechten kan het in sommige gevallen zinvol zijn om een verzoek in te dienen om een kosteloze vereffening (art. 209 lid 1 BW).</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het indienen van een verzoek tot benoeming van een vereffenaar betreft in veel gevallen een administratieve procedure. Als er geen belanghebbenden zijn die verweer willen voeren tegen een verzoek tot benoeming van een vereffenaar, dan kan het verzoek in de meeste gevallen schriftelijk door de rechtbank worden afgedaan (er vindt dan geen mondelinge behandeling plaats). In zo’n geval kun je met de advocaat (er geldt namelijk een verplichte procesvertegenwoordiging) natuurlijk gewoon een vaste prijsafspraak maken. In ieder geval geldt dat dit bij ons mogelijk is. <a href="https://www.erfrechtonline.nl/boedelafwikkeling/kosten-benoeming-vereffenaar/">Meer informatie hierover is hier te lezen.</a></p>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/griffierechten-2025-vereffening-van-de-nalatenschap/">Griffierechten 2025 &#8211; vereffening van de nalatenschap</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Een ode aan de rechtshistorische interpretatie</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/een-ode-aan-de-rechtshistorische-interpretatie/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 16 Nov 2024 20:59:53 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2553</guid>

					<description><![CDATA[<p>Op 15 november 2024 werd op rechtspraak.nl een conclusie d.d. 30 juni 1882 (ECLI:NL:PHR:1882:1)van AG Van Maanen gepubliceerd. Onder meer stond in de betreffende zaak de vraag centraal of bij testament een stichting kon worden opgericht. De vraag daarbij was tevens of een stichting rechtspersoonlijkheid heeft. De conclusie vangt aan met het noemen van de [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/een-ode-aan-de-rechtshistorische-interpretatie/">Een ode aan de rechtshistorische interpretatie</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">Op 15 november 2024 werd op rechtspraak.nl een conclusie d.d. 30 juni 1882 (ECLI:NL:PHR:1882:1)<br>van AG Van Maanen gepubliceerd. Onder meer stond in de betreffende zaak de vraag centraal of bij testament een stichting kon worden opgericht. De vraag daarbij was tevens of een stichting rechtspersoonlijkheid heeft.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De conclusie vangt aan met het noemen van de feiten, onder meer: “<em>Bij zijn door den dood bekrachtigd testament had [erflater 3], na het maken van eenige legaten, zijne nalatenschap gemaakt aan de Weldadige Stichting, welke hij verklaarde tevens in het leven te roepen ten behoeve van behoeftigen in de gemeente Venlo, die door ligchaamsgebreken enz. ellendig zijn;”<br><br></em>Nog immer worden er testamenten gepasseerd waarin stichtingen in het leven worden geroepen. Maar nu, zo’n 142 jaar later, hebben we hiervoor een bepaling in de wet. Deze bepaling is te vinden in art 4:135 BW. Ook de rechtspersoonlijkheid van de stichting is inmiddels geregeld in de wet, namelijk in titel 6 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. &nbsp;</p>



<p class="wp-block-paragraph">Aardig om te lezen is hoe de AG in de conclusie onder meer door een rechtshistorische interpretatie tot antwoorden komt. Zowel het ‘latere Romeinsche regt’ als het ‘oud-Hollandsch regt’ passeren de revue. Anno 2024 lijken we (in ieder geval in de lagere rechtspraak) niet meer zoveel gebruik te maken van de rechtshistorische interpretatie. Daar zijn vast allerlei redenen voor aan te voeren. Wellicht zal dit ook te maken hebben met de regulering van vrijwel alles wat wij tegenkomen op ons levenspad, wat de advocaat noopt tot het kiezen van een specialisme. Je kunt immers niet alles beheersen. Dat is gewoon te veel.<br><br>Maar dat specialiseren heeft ook een schaduwzijde. De blik wordt smaller en de vraag naar ‘wat recht is’ verdwijnt wat meer naar de achtergrond. We staren ons sneller blind op de door de wetgever gegeven concrete wetsbepaling en leggen niet zo snel meer verbanden met wetsbepalingen in andere rechtsgebieden.<br><br>Maar waar komt die wetsbepaling, waar we ons zo blind op kunnen staren, vandaan? Het wetgevingsproces staat immers niet zichzelf, maar vindt haar oorsprong in de (rechts)historie. Veel normen (of achterliggende normen) hebben eeuwenoude wortels. We bouwen in ons wetgevingsproces  voort op wat er eerder was of we kiezen er juist voor om andere richtingen in te slaan (wellicht omdat het oude niet werkte of omdat het gewoon beter kan).   </p>



<p class="wp-block-paragraph">Paul Scholten schrijft over de rechtshistorische interpretatie onder meer: “<em>De beslissing, wat recht is, is gebonden aan regels, die ons objectief gegeven tegemoet treden. Dit gegeven is alleen historisch te kennen. Er is zeker verschil tussen het zuiver rechtshistorisch onderzoek en het onze. Het eerste constateert alleen, het tweede trekt een conclusie voor het heden. &nbsp;(…) Bij een zuiver historisch onderzoek keren we ons om, om van het heden naar het verleden te zien, bij de rechtshistorische interpretatie maken wij die omkeer tweemaal, eerst terug naar het verleden, dan weer naar het heden. Wie niet meent het recht alleen uit eigen inzicht uit wat behoort te kunnen putten is altijd aan historie gebonden.</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Ik meen dat nog steeds de rechtshistorische interpretatie van belang kan zijn bij het vinden van recht in een concreet geval. Tegenwoordig hebben we bijvoorbeeld veelvuldig te maken met ontwikkelingen in de digitale wereld waar nog geen regulering voor is. Antwoord op wat in een concreet geval behoort, kan in zo’n geval (ook) gevonden door gebruikmaking van de rechtshistorische interpretatie.<br><br>Voor het <a href="https://www.erfrechtonline.nl/juridisch-advies-erfrecht/">erfrecht</a> is er de achterliggende norm van de verzorgingsgedachte. Maar wat de betekenis daarvan is voor het heden, is alleen te begrijpen als weten waar die gedachte vandaan komt. Het gaat dan uiteraard om het omzien naar &#8216;wezen en weduwen&#8217;. Wat dat concreet inhoudt, kunnen we alleen weten als we te rade gaan in de geschiedenis. Eerst als we dat weten, kunnen we nagaan in hoeverre de achterliggende verzorgingsgedachte nog van toepassing is op bepaalde gevallen die zich heden ten dage voordoen. <br><br>De Hoge Raad oordeelde in ieder geval in 1882 dat een erflater in zijn testament een stichting in het leven kon roepen, letterlijk: ”<em>Overwegende, dat waar vaststaat, gelijk bij het onderzoek van het tweede middel is aangenomen, dat eene liefdadige stichting, met regtspersoonlijkheid omkleed, door den wil van den bijzonderen persoon, die daartoe zijn geheel of gedeeltelijk vermogen bestemt, buiten inmenging van het openbaar gezag kan tot stand komen, er geen regtsgrond aanwezig is, waarom de private wil dat gevolg niet zoude kunnen hebben, waar hij, als uiterste wil in een testament uitgesproken, door den dood des testateurs wordt bekrachtigd;</em>”<br><br><br><em>Auteur: mr. A.C. de Bakker</em></p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/een-ode-aan-de-rechtshistorische-interpretatie/">Een ode aan de rechtshistorische interpretatie</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Pleidooi voor behoud van de legitieme portie – deel 4: Het besluit om te onterven</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-4-het-besluit-om-te-onterven/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 26 Oct 2024 14:03:36 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2494</guid>

					<description><![CDATA[<p>In een serie artikelen over het bestaansrecht van de legitieme portie ga ik dieper in op argumenten die pleiten voor het behouden van de legitieme portie in het erfrecht. In dit deel ga ik dieper in op het besluit van een testeerder om zijn kind te onterven. In deel 1 van deze serie artikelen schreef [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-4-het-besluit-om-te-onterven/">Pleidooi voor behoud van de legitieme portie – deel 4: Het besluit om te onterven</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In een serie artikelen over het bestaansrecht van de legitieme portie ga ik dieper in op argumenten die pleiten voor het behouden van de legitieme portie in het erfrecht. In dit deel ga ik dieper in op het besluit van een testeerder om zijn kind te onterven.</p>



<p class="wp-block-paragraph">In deel 1 van deze serie artikelen schreef ik: “&nbsp;<em>Er zijn denk ik maar weinig (ik denk zelfs geen) ouders die bij de geboorte van een kind denken: ‘dit kind ga ik onterven’. Een onterving vindt vrijwel altijd haar oorzaak in gebeurtenissen die na de geboorte van het kind plaatsvinden.</em>” De werkelijkheid is ook dat er in mijn dossierkast op kantoor tal van dossiers liggen waarin sprake is van onterfde kinderen. Ik concludeer dan ook dat het leven een weerbarstige onderneming is en dat lang niet iedereen komt tot een goed en mooi levensverhaal. Maar hoe kan het dat een ouder op een bepaald moment besluit zijn kind te onterven?</p>



<p class="wp-block-paragraph">Op mijn zoektocht naar antwoorden stuitte ik op het denken van Paul Ricœur en het door hem gebruikte begrip ‘narratieve identiteit’<a href="#_ftn1" id="_ftnref1">[1]</a>. Ricœur is niet de eerste filosoof die schreef over de narratieve identiteit. Maar hij is wel degene die als eerste een verband legde tussen het (levens)verhaal van een mens en de vorming van diens identiteit.<a href="#_ftn2" id="_ftnref2">[2]</a></p>



<p class="wp-block-paragraph">Ricœur wijst er op dat aan een veelheid van gebeurtenissen in ons leven geen bewuste keuze of beslissing van onszelf vooraf gaat. We kiezen niet de plaats en de tijd van onze geboorte. We hebben geen invloed op het milieu waarin we opgroeien noch op ons karakter, onze genetische aanleg en onze opvattingen van de wereld, althans is onze invloed daarop zeer gering. Een belangrijk deel van wat we tegenkomen op onze levensweg, overkomt ons buiten onze intenties en keuzes om. Denk aan het krijgen van een hersenbloeding of het ‘toevallig’ ontmoeten van iemand die in je leven van betekenis zal gaan zijn. Aan dergelijke gebeurtenissen gaan geen bewuste keuzes vooraf.</p>



<p class="wp-block-paragraph">We doen gedurende ons leven allerlei ervaringen op. We horen mensen om ons heen allerlei dingen zeggen en zien mensen van alles doen. We interpreteren al die gebeurtenissen en geven er vervolgens een betekenis aan. En al die opvolgende betekenissen vormen uiteindelijk een levensverhaal. Het verhaal vertelt hoe we de wereld om ons heen ervaren en wat onze plaats daarin is. Tekenend daarbij is dat er hele kleine gebeurtenissen kunnen plaatsvinden (zoals het waarnemen van een gebaar, het horen van woorden die worden uitgesproken) die buiten onze wil om gebeuren, doch die bepalend kunnen zijn voor het levensverhaal dat we vertellen. Couperus schrijft het in één van zijn boeken als volgt: “<em>Strooide het Lot op het pad dergenen, die bewierookten als een godheid, die het dienden met een eredienst, niet zulke oneindig-kleine gebeurtenisjes, als weldaden die men moest gebruiken: schakeltjes, die – het Lot wilde het zo – men zelf voegen zou aan de ketting? Gaf het Lot zelf niet zo de illusie van een eigen wil, een zweem van waarheid aan de leugen, dat men door zichzelf – energie – iets kan wijzigen aan de loop der omstandigheden?</em>”<a id="_ftnref3" href="#_ftn3">[3]</a> Een onverwachte, onbedoelde en in feite onbeduidende gebeurtenis kan soms leiden tot verstrekkende gevolgen. </p>



<p class="wp-block-paragraph">Onze keuzes en ons handelen is dus een gevolg van een reeks aan gebeurtenissen (waarvan we er slechts een aantal herinneren en in onze besluitvorming betrekken). Daarbij komt dat ons handelen wordt gekenmerkt door meerduidigheid. De Mul schrijft hierover het volgende: <em>&#8220;Niet alleen teksten, maar ook handelingen worden vaak gekenmerkt door meerduidigheid. Zeker in geval we te maken hebben met conflictsituaties worden de gebeurtenissen vaak heel verschillend uitgelegd. Ook hier ontstaan voortdurend tegenstrijdige interpretaties die in laatste instantie onbeslisbaar zijn. Evenmin als er zich een betekenis an sich ‘achter’ de tekst bevindt, ligt er een ultieme betekenis of motivatie achter ons handelen. De waarheid bestaat ook niet eenvoudig uit een optelsom van de afzonderlijke interpretaties. Vaak zijn ze incompatibel en kunnen we ze niet gelijktijdig denken.&#8221;</em><a href="#_ftn4">[4]</a></p>



<p class="wp-block-paragraph">Als ik in de behandeling van een zaak soms doorvraag naar de reden van een bepaalde beslissing, dan wil het wel eens gebeuren dat men refereert aan iets dat de ander heeft gezegd of gedaan. Dat ene dat is gezegd of is gedaan wordt dan vervolgens heel groot gemaakt en bepalend gemaakt voor het (levens)verhaal dat men vertelt en de beslissingen die men vervolgens neemt. Feit is echter dat in veel gevallen er veel meer is gezegd of gedaan dan men zich herinnert. Dat geldt temeer als een en ander lang geleden heeft plaatsgevonden. Het (levens)verhaal is dan ook geen objectief verslag van al hetgeen is voorgevallen. Het geeft daarentegen aan hoe men betekenis geeft aan het gebeurde. Dat brengt met zich dat men er net zo goed een andere betekenis aan had hunnen geven.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Maar wat doen we eigenlijk als we ons levensverhaal vertellen? In feite construeren we een plot. We vertellen een verhaal over de ervaringen die we hebben opgedaan. Met het verhaal leggen we uit wat wij hebben gevoeld en gedacht ‘bij de dingen’. Het verhaal vertelt hoe wij hebben geleefd en welke betekenis de wereld voor ons heeft. Mensen kijken bijvoorbeeld na genezing van een levensbedreigende ziekte opeens anders naar de wereld. Aan het ziekbed wordt dan de betekenis toegekend dat het de ‘ogen heeft geopend’.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Wij vormen onze identiteit aan de hand van het levensverhaal dat wij onszelf vertellen. ‘<em>In de verhalen die wij over ons leven aan onszelf en aan anderen vertellen articuleren we ons zelf en het is zelfs eerst in onze identificatie met deze verhalen dat onze identiteit tot stand komt.</em>’<a id="_ftnref4" href="#_ftn4">[5]</a> Een beetje de kort door de bocht misschien, maar we bepalen dus zelf wie we willen zijn aan de hand van het verhaal dat we onszelf vertellen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Paul Ricœur wijst erop dat we het levensverhaal reconstrueren. Eerst maken we dingen mee en vervolgens gaan we aan de gebeurtenissen een betekenis geven die past in het levensverhaal dat we onszelf en anderen vertellen. En als er nieuwe gebeurtenissen plaatsvinden, dan kost het de mens weinig moeite om zijn levensverhaal aan te passen, zulks zodat het een geheel consistent verhaal blijft. Wie herkent het niet dat hij naar aanleiding van nieuwe ervaringen eerdere gebeurtenissen in zijn leven in een ander licht is gaan zien? Ook kost het de mens niet veel moeite om bepaalde gebeurtenissen wel in herinnering te houden en andere totaal te negeren en te vergeten, zulks uitsluitend om het levensverhaal sluitend te houden. Het komt voor dat men gebeurtenissen waaraan men eerst positieve herinneringen had, op een later moment – door nieuwe gebeurtenissen – negatief gaat bezien. Zo kan het in een rechtszaak voorkomen dat het ene kind over dezelfde gebeurtenissen een geheel ander verhaal vertelt dan het andere kind.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het belang van de plot voor identiteit kan geïllustreerd worden door te kijken naar wat er gebeurt in de psychoanalyse. In de psychoanalyse staat het verhaal centraal. Tijdens de psychoanalytische behandeling is het de bedoeling dat de patiënt een nieuw verhaal over zijn ervaringen leert te vertellen, een verhaal met een ander plot. Dit andere plot maakt traumatische ervaringen tot incidenten ontdaan van hun traumatische impact. Ricoeur stelt dat in de psychoanalyse fragmenten van geleefde verhalen, dromen, primitieve taferelen, periodes van conflict en andere stukken uit het leven worden opgenomen in een meer draagbaar en begrijpelijk verhaal, dat een persoonlijke identiteit opbouwt. Karen Blixen schrijft ergens: “<em>Alle smarten zijn te dragen wanneer men ze verwerkt in een verhaal of er een verhaal van maakt.</em>”<a id="_ftnref5" href="#_ftn5">[6]</a></p>



<p class="wp-block-paragraph">Wat wil ik met dit alles nu zeggen? Een testateur die zijn kind onterfd kan met allerlei redenen komen ter rechtvaardiging van zijn beslissing. Je hoort de testateur het al zeggen: ‘hij heeft al dertig jaar geen contact met mij opgenomen’ of ‘hij heeft mij onrecht aangedaan’ of ‘hij heeft al genoeg gehad’ etc. Maar dit alles zegt misschien niet zoveel over de daadwerkelijke gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden, maar veeleer over het verhaal dat de testateur zichzelf verteld. Ik wees er al op dat de mens gebeurtenissen in zijn levens telkens opnieuw waardeert en er zonodig een gewijzigde betekenis aan geeft, alsook dat de mens er geen moeite mee heeft om (onbewust) andere gebeurtenissen zich niet te herinneren. Het verhaal dat de testateur zichzelf vertelt is daarom niet persé in overeenstemming met de gebeurtenissen die werkelijk hebben plaatsgebonden. En doordat ieder mens zijn eigen levensverhaal (re)construeert, komt het nogal eens voor dat het verhaal van de testateur behoorlijk verschilt met het verhaal van het onterfde kind.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het feit dat we onze beslissingen veeleer baseren op ons verhaal en niet zozeer op hetgeen daadwerkelijk feitelijk aan de hand is, maakt dat onze beslissingen minder rationeel zijn dan we denken. De testateur die die zijn kind onterfd zit ‘gevangen’ in zijn eigen verhaal. Het is niet zo dat de testateur een verwijt gemaakt wordt dat hij dit verhaal vertelt, maar wel meen ik dat hij ook de mogelijkheid had om een ander verhaal te vertellen, een positiever, liefdevoller verhaal. Ik meen dat we ertoe geroepen zijn om positieve verhalen te vertellen. Mede indachtig wat ik in deel 1 van deze serie schreef, meen ik dan ook dat de wetgever te negatieve verhalen moet corrigeren. Een verhaal dat de conclusie heeft dat een kind wordt onterfd is mijn inziens een verhaal dat te negatief is en enigszins correctie behoeft.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Al het voorgaande komt terug in de navolgende quote van de filosoof S.A. Kierkegaard waar ik dit deel mee afsluit.<a id="_ftnref6" href="#_ftn6">[7]</a> <em>“Als het gaat om een woord van een ander, een daad of een denkwijze, dan is jouw interpretatie, jouw verklaring, een keus. Maar als het een keus is, dan staat het voortdurend in mijn macht om, als ik liefdevol ben, de meest milde verklaring te kiezen.</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Auteur: mr. A.C. de Bakker</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="has-small-font-size wp-block-paragraph"><a id="_ftn1" href="#_ftnref1">[1]</a> Paul Ricœur (1913-2005) is een Franse filosoof die bekendheid heeft gekregen met zijn werken over de vrije wil en de mens als een verhalend wezen.<br><a id="_ftn2" href="#_ftnref2">[2]</a> Bij het bestuderen van de filosofie van Paul Ricœur las ik vooral secundaire/beschouwende bronnen zoals: Koen Boey, <em>Gezichten van de mens bij Paul Ricoeur, </em>Antwerpen/Apeldoorn 2008 en Jos de Mul, <em>Het verhalende zelf. Over persoonlijke en narratieve identiteit</em>, Rotterdamse Filosofische Studies, 2000, 201-215.<br><a id="_ftn3" href="#_ftnref3">[3]</a> Louis Couperus, <em>Noodlot</em>, De grootste werken van Louis Couperus II, Company of Books, 2004.<br><a href="#_ftn4">[4]</a> Jos de Mul, <em>De domesticatie van het noodlot</em>, Rotterdam 2014.<br><a href="#_ftnref5">[5]</a> De Mul, zie noot 2.<br><a id="_ftn5" href="#_ftnref5">[6]</a> Zie ook Hans Achterhuis, <em>Ik wil begrijpen, de onbekende Hannah Arendt</em>, hoofdstuk 5 (Zin in verhalen).<br><a id="_ftn6" href="#_ftnref6">[7]</a> S.A. Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof en wordt gezien als de grondlegger van de existentiefilosofie waarin iedere persoon wordt gezien als een uniek wezen dat verantwoordelijk is voor zijn eigen daden en zijn eigen lot.<br></p>



<p class="wp-block-paragraph">Lees ook:<br><a href="https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-voor-behoud-van-de-legitieme-portie-deel-1-is-wetgeving-volgend-of-corrigerend/">Deel 1: Is wetgeving volgend of corrigerend?</a><br><a href="https://www.erfrechtonline.nl/behoud-legitieme-portie-band-tussen-ouder-en-kind/">Deel 2: De fundamentele band tussen ouder en kind</a><br><a href="https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-3-eigendomsrecht-of-eigendomsplicht/">Deel 3: Eigendomsrecht of eigendomsplicht?</a></p>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-4-het-besluit-om-te-onterven/">Pleidooi voor behoud van de legitieme portie – deel 4: Het besluit om te onterven</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Verjaarde vorderingen en verdeling nalatenschap</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/verjaarde-vorderingen-en-de-verdeling-van-de-nalatenschap/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 28 Sep 2024 19:21:49 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2467</guid>

					<description><![CDATA[<p>Leningen van ouders aan hun kinderen kunnen bij de afwikkeling van een nalatenschap nogal eens voor discussie zorgen. Is de lening wel terugbetaald? En zo niet, kan de lening dan in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? En kan dit ook als de rechtsvordering tot nakoming is verjaard? Het antwoord op deze laatste vraag [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/verjaarde-vorderingen-en-de-verdeling-van-de-nalatenschap/">Verjaarde vorderingen en verdeling nalatenschap</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">Leningen van ouders aan hun kinderen kunnen bij de afwikkeling van een nalatenschap nogal eens voor discussie zorgen. Is de lening wel terugbetaald? En zo niet, kan de lening dan in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? En kan dit ook als de rechtsvordering tot nakoming is verjaard? Het antwoord op deze laatste vraag is niet eenduidig te geven. We zullen dus moeten wachten op een cassatiezaak waarin de Hoge Raad hierover oordeelt. In deze blog zal ik een poging doen om tot beantwoording van de vraag te komen. Ik zal daarbij onder meer ingaan op de verschillende zienswijzen hierover in de rechtsliteratuur en jurisprudentie.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Ik merk op dat ik in deze blog een juridisch-dogmatische uiteenzetting geef over de vraag of verjaarde rechtsvorderingen betrokken kunnen worden in de verdeling van een <a href="https://www.erfrechtonline.nl/vereffenaar/">nalatenschap</a>. Voor juristen zal de uiteenzetting beter te volgen zijn, dan voor leken. Maar de blog is in feite ook bedoeld voor lezers met een juridische achtergrond.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>I. Het rechtskader</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Startpunt van de uiteenzetting is in ieder geval art. 4:228 lid 1 BW, waarin het volgende is bepaald:</p>



<p class="wp-block-paragraph">“<em>Tot de schulden van een erfgenaam, die bij de verdeling op verlangen van een of meer der overige erfgenamen op zijn aandeel worden toegerekend, behoort hetgeen hij aan de erflater schuldig is gebleven.</em>”</p>



<p class="wp-block-paragraph">Een vergelijkbare bepaling is te vinden in art. 3:184 BW. Het gaat bij gedwongen schuldtoerekening niet om een verrekening in de zin van art. 6:127 BW. Dat betekent dat art. 6:131 BW, inhoudende dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering, niet van toepassing is bij gedwongen schuldtoerekening.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Gesteld kan worden dat de toerekening als bedoeld in art. 3:184 BW en in art. 4:228 BW een eigen rechtsfiguur is. Bij verrekening heeft de wetgever expliciet bepaald dat onder bepaalde voorwaarden verrekening met een verjaarde rechtsvordering (waarmee ik bedoel een vorderingsrecht waarvan de afdwingbaarheid is komen te vervallen) is toegestaan. In de wetgeving inzake verdeling en gedwongen schuldtoerekening is geen bepaling zoals art. 6:131 BW opgenomen. Kennelijk heeft de wetgever het niet wenselijk geacht om verjaarde rechtsvorderingen een plaats te geven in de verdeling van de nalatenschap.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em><u>I.a. Gedwongen schuldtoerekening leidt tot vermenging<br><br></u></em>Bij gedwongen schuldtoerekening wordt in feite een aan de gezamenlijke erfgenamen toekomend vorderingsrecht overgedragen (onder de titel van verdeling) aan een erfgenaam (tevens zijnde de schuldenaar), waarna de vordering door vermenging (art. 6:161 BW) tenietgaat. Bij de toelichting op art. 3:184 BW in de groene serie Vermogensrecht wordt ter zake deze zienswijze verwezen naar een grote hoeveelheid rechtsliteratuur, letterlijk:<br><br>“<em>Compendium Erfrecht, nr. 302; Kleijn, diss., p. 269; Van Mourik, nr. 61; Pitlo/Van der Burght, Ebben, nr. 540, kwalificeren gedwongen schuldverrekening bij een bijzondere gemeenschap als een gedwongen toedeling van het vorderingsrecht van de gemeenschap op de betrokken deelgenoot. De schuld gaat niet door verrekening of inbetalinggeving teniet, maar – op het moment van toedeling van de vordering (art. 186) – door schuldvermenging (art. 6:161). Deze opvatting kan slechts opgaan als het een schuld aan de gezamenlijke deelgenoten betreft, omdat de vordering die met de schuld correspondeert dan tot de gemeenschap behoort en zij derhalve kan worden toegedeeld. Zie ook: Wammes, p. 79.</em>”</p>



<p class="wp-block-paragraph">Gedwongen schuldtoerekening heeft dus niets te maken met ‘verrekening’, maar ziet op de rechtsfiguur ‘vermenging’.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em><u>I.b. Vorderingsrechten versus rechtsvorderingen<br><br></u></em>Kun je dan een verjaarde rechtsvordering van de nalatenschap op een erfgenaam betrekken in de verdeling van die nalatenschap en toerekenen op diens <a href="https://www.erfrechtonline.nl/wettelijk-erfdeel/">erfdeel</a>? Om die vraag te beantwoorden is het nodig om eerst duidelijk te krijgen wat nu precies een ‘goed’ is en wat het verdelen daarvan inhoudt.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Verdeling is aan de orde als er sprake is van een gemeenschap. Alleen goederen kunnen worden verdeeld. Verjaarde rechtsvorderingen zijn geen goederen en kunnen dus niet verdeeld worden. Dit vloeit voort uit de wetsystematiek. Deze systematiek kan als volgt worden geschetst.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Art. 3:166 BW bepaalt het volgende: “<em>Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk</em>.”</p>



<p class="wp-block-paragraph">Art. 3:182 BW definieert vervolgens de verdeling van een gemeenschap als volgt: “<em>Als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen.</em>”</p>



<p class="wp-block-paragraph">De vraag is dus of een verjaarde rechtsvordering (van de gemeenschap op een erfgenaam) een goed van de gemeenschap is dat in de verdeling kan worden betrokken.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Art. 3:1 BW definieert ‘goederen’ als volgt: “<em>Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten</em>.”</p>



<p class="wp-block-paragraph">De verjaarde rechtsvordering van de nalatenschap (of beter gezegd: van de gezamenlijke erfgenamen) op een erfgenaam is geen zaak. De vraag die resteert is dus of het een vermogensrecht is.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Art. 3:6 BW definieert een ‘vermogensrecht’ als volgt: “<em>Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten</em>.”</p>



<p class="wp-block-paragraph">In deze gaat het vooral om het element ‘overdraagbaarheid’ waar sprake van dient te zijn, wil een recht als vermogensrecht gekwalificeerd kunnen worden.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Art. 3:83 BW bepaalt dan het volgende: “<em>(1) Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet en (…) (3) Alle andere rechten zijn slechts overdraagbaar, wanneer de wet dit bepaalt.</em>”</p>



<p class="wp-block-paragraph">Voornoemde bepaling spreekt dus over de overdraagbaarheid van&nbsp; ‘vorderingsrechten’. Verjaring is een rechtsfeit dat de afdwingbaarheid van het vorderingsrecht doet vervallen. De rechtsvordering gaat teniet, slechts de materiële aanspraak zelf blijft bestaan (de zogenaamde zwakke werking van de verjaring).</p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij de toelichting op art. 3:83 BW in de groene serie Vermogensrecht wordt over de niet-overdraagbaarheid van rechtsvorderingen het volgende schreven: “<em>Rechtsvorderingen zijn, anders dan vorderingsrechten, geen zelfstandige goederen en derhalve niet overdraagbaar. Krachtens&nbsp;art. 3:304&nbsp;kan een rechtsvordering niet van het recht tot welks bescherming zij dient, worden gescheiden. Dit betekent enerzijds dat zij niet los van dat recht kan worden overgedragen en anderzijds dat zij bij overdracht van dat recht van rechtswege mee overgaat”</em><br><br>Duidelijk is derhalve, gezien art. 3:83 BW, dat alleen vorderingsrechten overdraagbaar zijn. De aan het vorderingsrecht verbonden rechtsvordering kan echter door verjaring teniet zijn gegaan. Gevolg daarvan is dat een ‘kaal’ vorderingsrecht wordt overgedragen. Een vorderingsrecht waar de afdwingbaarheid van is komen te vervallen, heeft in het economisch verkeer een waarde van nihil. Gesteld kan worden dat de verdeling van zo’n goed geen belang dient en dat dus, gezien art. 3:303 BW, de verdeling daarvan niet gevorderd kan worden. Dit heeft dan mede tot gevolg dat niet toegekomen wordt aan gedwongen schuldtoerekening.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>II. De rechtsliteratuur<br><br></strong>Bestudering van de rechtsliteratuur leidt tot de conclusie dat welgeteld één schrijver heeft gesteld dat verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling betrokken kunnen worden. Het betreft Schoordijk die in de Rechtsvragenrubriek van het WPNR (1985/5736) een vraag van een lezer beantwoordt. Het is duidelijk dat Schoordijk op basis van een door hem gevoelde redelijkheid tot de conclusie komt dat een verjaarde rechtsvordering gedwongen toegerekend zou moeten kunnen worden. Schoordijk schat overigens de kans dat een rechter hem zal volgen in zijn standpunt niet zo groot in (niet meer dan 20%).<br><br>Andere schrijvers laten zich hier niet over uit. Perrick schrijft in 2013 nog steeds (Asser/Perrick 4, 2013, nr. 655): “<em>Geen toerekening kan plaats vinden ten aanzien van een natuurlijke verbintenis</em>.” Verder verwijzen sommige schrijvers naar de uitspraak van Hof Leeuwarden d.d. 24 november 2009 (zie hierna), doch zulks zonder daarbij een nadere dogmatische uiteenzetting te geven over de vraag of in dat arrest een rechtens juist oordeel is gegeven.<br><br><strong>III. Jurisprudentie</strong><br><br>Bestudering van jurisprudentie leidt tot de conclusie dat er tegenstrijdig, althans niet altijd even duidelijk, wordt geoordeeld.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Allereerst wordt gewezen op de conclusie van de Advocaat-Generaal bij HR 2 november 1928 (NJ 1928/1682). In deze conclusie wordt overwogen dat natuurlijke verbintenissen niet gedwongen kunnen worden toegerekend in het kader van de verdeling van een gemeenschap. Een uitzondering op deze regel wordt in deze conclusie niet gemaakt.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><span style="text-decoration: underline;">III.a Hof Leeuwarden d.d. 24 november 2009<br></span><br>Hof Leeuwarden maakt in zijn arrest d.d. 24 november 2009 (ECLI:NL:GHLEE:2009:BK4276) wel een uitzondering. Het Hof overweegt allereerst:</p>



<p class="wp-block-paragraph">‘<em>Naar de algemeen in de literatuur aanvaarde opvatting strekt de bedoelde bevoegdheid [de gedwongen schuldtoerekening van artikel 3:184 lid 1 en 4:228 lid 1 BW; ACdB] zich niet uit tot niet-afdwingbare oftewel natuurlijke verbintenissen van een te verdelen gemeenschap ten laste van een deelgenoot.</em>’</p>



<p class="wp-block-paragraph">Deze overweging is in lijn met voorgaande uiteenzetting. Het Hof overweegt echter vervolgens:</p>



<p class="wp-block-paragraph">“<em>Naar het oordeel van het hof brengt redelijke wetstoepassing evenwel mee dat deze regel [de regel dat een niet-afdwingbare vordering niet meer voor toerekening in aanmerking komt; ACdB] uitzondering lijdt, indien ten aanzien van de betrokken verbintenissen door een beroep op verjaring de afdwingbaarheid is komen te ontvallen.</em>”</p>



<p class="wp-block-paragraph">Deze redelijke wetstoepassing wordt echter niet nader geduid. Dit had wel verwacht mogen worden. Immers geldt dat verjaring van de rechtsvordering de rechtszekerheid dient, alsook dat verjaring strekt tot bescherming van de schuldenaar. In Asser/Sieburgh 6-II 2021/383 wordt deze bescherming als volgt omschreven:</p>



<p class="wp-block-paragraph">“<em>Door het tijdsverloop zal de debiteur er in toenemende mate op vertrouwen dat jegens hem geen vordering wordt ingesteld. Hij gaat erop rekenen dat zijn vermogenspositie overeenstemt met de gedurende lange tijd bestaande toestand waarin de schuldeiser zijn rechtsvordering niet heeft ingesteld. Een gedachte die regelmatig terugkeert bij beschouwingen over verjaring is dat het verstrijken van tijd een vertroebelende werking heeft. Het wordt steeds moeilijker vast te stellen of een aanspraak daadwerkelijk bestaat en zo ja, wat zijn inhoud is en of er verweren tegenin gebracht kunnen worden. De bewijspositie van de debiteur verzwakt. De verjaring maakt het onnodig bewijzen van kwijting eindeloos te bewaren. Vergelijk Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1408 waar erop wordt gewezen dat het bewaren van bewijsmateriaal kosten meebrengt, die in de sfeer van bedrijf en beroep soms aanzienlijk kunnen oplopen. Op vergelijkbare wijze wordt een vermeende schuldenaar beschermd tegen aanspraken waarvan de gegrondheid niet vaststaat. Omdat de verjaring in de weg staat aan het instellen van een rechtsvordering, kan onderzoek naar het bestaan van de verplichting achterwege blijven. Ten slotte is het in het belang van de debiteur dat hij erop kan vertrouwen dat zijn aansprakelijkheid in de tijd wordt begrensd. Dit geldt in het bijzonder voor verplichtingen van de schuldenaar die hij niet kent.</em>”</p>



<p class="wp-block-paragraph">De rechtszekerheid en de belangen van de vermeende schuldenaar worden gepasseerd indien verjaarde rechtsvorderingen toch nog in het kader van de verdeling van een gemeenschap gedwongen kunnen worden toegerekend op het aandeel van de schuldenaar in die gemeenschap. Hof Leeuwarden geeft daarvoor in genoemde uitspraak geen rechtvaardiging.<br><br>In een uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland d.d. 1 juli 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:5083) wordt (zonder nadere zelfstandige overwegingen) voornoemde uitspraak van Hof Leeuwarden tot uitgangspunt genomen.<br><br><span style="text-decoration: underline;">III.b. Hof ’s-Hertogenbosch d.d. 27 februari 2018</span></p>



<p class="wp-block-paragraph">Hof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2018:818) oordeelt in zijn arrest van<br>27 februari 2018 tegenovergesteld aan het Hof Leeuwarden. Het Hof oordeelde (in rechtsoverweging 6.3.20) als volgt:<br><br>“<em>(…) kan in het onderhavige geval evenwel geen sprake zijn van verrekening reeds omdat de vorderingen uit hoofde van geldlening reeds waren verjaard voordat de bevoegdheid tot verrekening (6:131, 3:184, 4:228 BW) bestond.</em>”<br><br>Duidelijk is deze overweging niet, zeker aangezien reeds hiervoor is aangegeven dat bij gedwongen schuldtoerekening van verrekening geen sprake is. Wat bedoelt het Hof precies met ‘de bevoegdheid tot verrekening’ en hoe moet men dan het moment ‘voordat’ duiden?<br><br><span style="text-decoration: underline;">III.c. Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 23 april 2019</span></p>



<p class="wp-block-paragraph">In het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 23 april 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:3552) wordt – nadat het Hof oordeelt dat het beroep op verjaring slaagt – zijdelings overwogen dat dit anders zou zijn indien er een beroep zou zijn gedaan op gedwongen schuldtoerekening. Het Hof duidt een en ander verder niet, waardoor deze zijdelingse overweging in de lucht blijft hangen.<br><br><span style="text-decoration: underline;">III.d. Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 10 december 2019</span></p>



<p class="wp-block-paragraph">In het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 10 december 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:10619) wordt enerzijds geoordeeld dat verjaring bij de verdeling van een bestandsdeel van de nalatenschap geen rol speelt, doch anderzijds dat aan een verjaarde rechtsvordering geen waarde kan worden toegekend, zulks zodat met de verdeling van het vorderingsrecht geen belang is gediend.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><span style="text-decoration: underline;">Rechtbank Gelderland d.d. 31 juli 2024</span></p>



<p class="wp-block-paragraph">Rechtbank Gelderland oordeelt in een uitspraak d.d. 31 juli 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:5058) als volgt:</p>



<p class="wp-block-paragraph">“<em>Artikel 3:184 BW spreekt over de toerekening van “hetgeen deze&nbsp;[de deelgenoot]&nbsp;aan de gemeenschap schuldig is”. Een natuurlijke verbintenis, zoals een schuld uit hoofde van een geldlening die is verjaard, is in rechte niet afdwingbaar. Die rechtsvordering kan dan ook niet verdeeld of&nbsp;gedwongen&nbsp;toegerekend worden.</em>&nbsp;(…)” De rechtbank volgt daarmee voornoemde uiteenzetting in paragraaf 1.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De rechtbank oordeelt verder: “<em>Als een vordering van erflater op een deelgenoot nog niet is verjaard op het moment van overlijden van erflater, dan behoort deze wél tot de&nbsp;nalatenschap. Dit punt is niet in geschil. Wel in geschil is of de vorderingen nog in de verdeling moeten worden betrokken en zo ja, tegen welke waarde als de vordering zijn verjaard vóórdat tot verdeling wordt overgegaan. Uitgangspunt blijft naar het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen tot de&nbsp;nalatenschap&nbsp;behoren omdat de samenstelling van de&nbsp;nalatenschap&nbsp;wordt bepaald op het moment van overlijden van erflater. Een eventuele verjaring van een vordering die tot de&nbsp;nalatenschap&nbsp;behoort, heeft op de samenstelling van de&nbsp;nalatenschap&nbsp;geen invloed. Dit is anders ten aanzien van de waardering van de bestanddelen van de&nbsp;nalatenschap. Wat betreft de waardering geldt als peildatum het moment van de verdeling (Hoge Raad 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176). Als de verjaring van vorderingen van de&nbsp;nalatenschap&nbsp;niet namens haar is gestuit dan rest een natuurlijke verbintenis. Een natuurlijke verbintenis heeft, aangezien deze niet afdwingbaar is, een waarde van nihil (zie ook r.o. 4.35 van het tussenvonnis van 24 mei 2023). De rechtbank sluit zich op dit punt aan bij het arrest gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10619.</em>”</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>IV. Conclusie</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">In de rechtsliteratuur zijn geen overtuigende aanknopingspunten te vinden over de vraag of verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken kunnen worden. In de jurisprudentie wordt &nbsp;hierover tegenstrijdig , althans niet eenduidig, geoordeeld. Uitgangspunt lijkt toch wel te zijn dat verjaarde rechtsvorderingen waarvan de verjaring voor het overlijden is voltooid, niet in de verdeling betrokken kunnen worden. Is de verjaring op het moment van overlijden nog niet voltooid, dan is het belangrijk om de verjaring tijdig te stuiten, zulks als een verdeling op zich laat wachten. Want als de verjaring na het overlijden wordt voltooid, doch voordat de verdeling plaatsvindt, dan is de waarde van het vorderingsrecht nihil en komt opnieuw het belang bij verdeling van het vorderingsrecht te ontbreken.<br><br><br><em>Auteur: mr. A.C. de Bakker</em></p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/verjaarde-vorderingen-en-de-verdeling-van-de-nalatenschap/">Verjaarde vorderingen en verdeling nalatenschap</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Pleidooi voor behoud van de legitieme portie – deel 3: Eigendomsrecht of eigendomsplicht?</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-3-eigendomsrecht-of-eigendomsplicht/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Sun, 16 Jul 2023 08:59:28 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2171</guid>

					<description><![CDATA[<p>In reactie op de eerste twee delen van deze serie artikelen gaf een aantal personen aan dat de legitieme portie een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendomsrecht. In dit deel zal ik dit argument bespreken om vervolgens te concluderen dat het eigenlijk niet zo’n heel sterk argument is. Wat is eigendom? Ons Burgerlijk Wetboek definieert [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-3-eigendomsrecht-of-eigendomsplicht/">Pleidooi voor behoud van de legitieme portie – deel 3: Eigendomsrecht of eigendomsplicht?</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In reactie op de eerste twee delen van deze serie artikelen gaf een aantal personen aan dat de legitieme portie een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendomsrecht. In dit deel zal ik dit argument bespreken om vervolgens te concluderen dat het eigenlijk niet zo’n heel sterk argument is.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Wat is eigendom?</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Ons Burgerlijk Wetboek definieert eigendom als het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben (art. 5:1 BW). In art. 1 van het eerste protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het volgende over eigendom bepaald: “<em>Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.</em>”</p>



<p class="wp-block-paragraph">Gezien deze wettelijke bepalingen is eigendom een buitengewoon sterk (individueel) recht dat een persoon kan doen gelden tegenover anderen. Als iets mijn eigendom is, dan moet de ander daar van afblijven. We maken dan ook een scherp onderscheid tussen ‘mijn en dijn’. Deze manier van denken is echter geen vast gegeven, geen universele norm.<a id="_ftnref1" href="#_ftn1">[1]</a> Het is goed om te beseffen dat eigendom slechts een uitdrukking is van hoe een persoon zich verhoudt tot een object (of om in juridische zin te spreken: tot een bepaald goed).</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Het verlichtingsdenken</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Maar hoe is onze rechtsovertuiging ter zake het eigendomsrecht eigenlijk ontstaan? Waarom vinden we het zo belangrijk dat we in onze eigendomsrechten niet worden beperkt? Als we de (rechts)geschiedenis induiken, dan zien we dat onze rechtsovertuiging betreffende het eigendomsrecht relatief jonge papieren heeft. We dienen namelijk terug te gaan naar de eerste helft van de 19<sup>e</sup> eeuw. Dat brengt tegelijkertijd met zich dat mensen eeuwenlang anders naar ‘eigendom’ hebben gekeken dan wij nu doen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De invoering van de Code Civil in 1804 in Frankrijk en de invoering van het Nederlandse Burgerlijke Wetboek in 1838 zorgden voor een revolutionaire omwenteling in de wetgeving. Het oude gewoonterecht werd afgewezen. In plaats daarvan kwam het natuurrecht (met als kenbron de rede), dat aan alle moderne rechtsbehoeften, met name aan de gelijkheidsgedachten, tegemoet kwam. Karakteristiek voor dit nieuwe recht in de eerste helft van de 19<sup>e</sup> eeuw is onder meer de nadruk die gelegd werd op bezit. Begrippen als solidariteit, sociale verantwoordelijkheid en rentmeesterschap verdwenen naar de achtergrond. Gezegd is weleens dat sinds de invoering van het nieuwe recht het Franse landschap is bezaaid met bordjes waarop te lezen staat: “<em>Propriété privéé, chasse gardée, chien méchant, passage interdit</em>.” Het eigendomsrecht is – zo zouden we kunnen zeggen – sinds de invoering van de Code Civil heilig en onaantastbaar geworden.<a id="_ftnref2" href="#_ftn2">[2]</a></p>



<p class="wp-block-paragraph">Ik meen dat het door sommigen gevoerde pleidooi om de legitieme portie af te schaffen een uitvloeisel is van het verlichtingsdenken dat ten grondslag ligt aan de Code Civil en het Nederlandse Burgerlijke Wetboek, welk verlichtingsdenken nog immer van invloed is op ons denken. Het onaantastbare eigendomsrecht is immers een uitvloeisel van het vrijheidsideaal van de Franse Revolutie.<a id="_ftnref3" href="#_ftn3">[3]</a> Het is goed om dit te beseffen. Want wie het vrijheidsideaal ter discussie durft te stellen, althans durft te wijzen op de beperkingen daarvan, zal ook tot de conclusie komen dat een absoluut eigendomsrecht zijn schaduwzijden heeft. &nbsp;</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beschikken bij testament was vroeger niet een daad van autonomie</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">In de antieke wereld kende men het eigendomsbegrip zoals wij dat nu hanteren niet. Bezit werd gezien als bezit van een familie of clan. Familiebezit maakte deel uit van de familiecultus en had een religieuze waarde. Veelal gold er ook een verbod op verkoop van eigendom (waarmee veelal wordt gedoeld op verkoop van grondbezit).<a id="_ftnref4" href="#_ftn4">[4]</a> <a id="_ftnref5" href="#_ftn5">[5]</a> In de antieke wereld was het dan ook niet mogelijk om bij testament (individueel) te beschikken over eigendom. Het familiebezit werd bestuurd door de <em>pater familias</em>, welke rol telkens bij overlijden werd overgenomen door de oudste zoon.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Eerst in het Romeinse recht ontstond de mogelijkheid om bij testament over vermogen te beschikken. Uit dezelfde periode stamt ook de legitieme portie. Men dient zich echter te realiseren dat de mogelijkheid tot het maken van een testament niet zozeer was gelegen in de overtuiging dat men vrij moest kunnen bepalen aan wie het bezit zou vererven, doch veeleer om juist het bezit ten behoeve van de eigen familie (de eigen sociale eenheid) te beschermen. Berman schrijft hierover het volgende:<a id="_ftnref6" href="#_ftn6">[6]</a></p>



<p class="wp-block-paragraph">“<em>However, from the time of the Twelve Tables, Roman law also provided that the “universal succession” of the heir to the legal personality of the decedent could be governed, alternatively, by a testament. Initially, the purpose of the testament was to counteract the rules of intestate succession in instances when those rule were unsuitable to a particular family situation; in other words, the same basic purpose motivated the introduction of the Roman testament that motivated the rules of intestate succession, namely, the continuation of the family household by the transmission of the legal personality of the decedent to his heir. The primary purpose was not to give individuals the power to effectuate their will after death; the primary purpose was tot protect the social unit</em>.”</p>



<p class="wp-block-paragraph">Interessant is dat het maken van een testament ook steeds meer tot een religieuze daad werd gemaakt. Opnieuw Berman:<a href="#_ftn7" id="_ftnref7">[7]</a><br><br>“<em>The new quality was the sanctity of the testator’s wishes insofar as those wishes were linked with the preservation of his soul: the “testament” became a “will”, but it was a religious will. The canonists treated the very making of a will as a religious act, and the will itself as a religious instrument. (…) In Maitlands words, “The testator’s first thought is not of the transmission of an hereditas, but of the future welfare of his immortal soul and his mortal body.”</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voorzichtig kunnen we dan ook concluderen dat in vroeger tijden het testament er was om vermogen voor de familie of de eigen sociale eenheid veilig te stellen en dat aan het beschikken bij testament over de nalatenschap een moreel aspect werd verbonden. Er werd in het geheel geen nadruk gelegd op het recht dat aan een persoon zou toekomen om vrijelijk over zijn eigendom te mogen beschikken. Dit veranderde dus als gevolg van het verlichtingsdenken.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Keuze en verantwoordelijkheid zijn nauw met elkaar verbonden</strong><br><br>Het is moeilijk te bevatten hoe de mensen in de antieke wereld, in de Romeinse tijd en in de Middeleeuwen keken naar eigendom en in welke mate zij autonomie ervaarden bij het beschikken over eigendom. Maar duidelijk is wel dat mensen door de eeuwen heen steeds meer autonomie zijn gaan ervaren.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het Griekse denken en vervolgens christelijke invloeden hebben steeds meer de mens bewust gemaakt van zijn individualiteit, zulks door steeds meer nadruk te leggen op het innerlijk geweten van de mens.<a href="#_ftn8" id="_ftnref8">[8]</a> Gevolg daarvan is dat die mens zich meer bewust is geworden van zijn individuele verhouding tot de objecten om hem heen en zich voor wat betreft zijn eigendommen steeds meer autonomie is gaan toemeten.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Evenwel is er vanuit het christelijke denken altijd de noot geweest van rentmeesterschap en verantwoordelijkheid. Siedentop wijst bijvoorbeeld op de canonieke rechtsgeleerden die de sfeer van de persoonlijke verantwoordelijkheid herdefinieerden en tegelijkertijd een sfeer van persoonlijke autonomie creëerden.<a id="_ftnref9" href="#_ftn9">[9]</a> Keuze en verantwoordelijkheid werden nauw met elkaar verbonden. Tegenover rechten stonden ook altijd plichten. En het lijkt erop dat we het plichtenaspect als gevolg van het verlichtingsdenken kwijt zijn geraakt, althans dat het ten onrechte naar de achtergrond is verdwenen. Het behouden van het rechtsfenomeen van de legitieme portie is – om het zo te zeggen – het behouden van een moreel aspect bij de vererving van nalatenschappen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Van eigendomsrecht naar eigendomsplicht</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Je kunt natuurlijk zeggen dat rechten en plichten twee zijden zijn van dezelfde medaille. Het recht van de één is toch de plicht van de ander? Maar dat is mijn inziens wat te makkelijk. Een gezond plichtsbesef impliceert allereerst dat men beseft dat men plichten heeft tegenover zichzelf. Een plicht jegens mezelf geeft een ander geen recht jegens mij. Wat te denken van de plicht om op een juiste wijze met mijn eigendommen om te gaan? </p>



<p class="wp-block-paragraph">Daarnaast leidt het leggen van nadruk op plichten (in plaats van op rechten) tot een andere manier van verhouden tot de wereld om je heen. Kinneging schrijft in dat kader het volgende:<a id="_ftnref10" href="#_ftn10">[10]</a></p>



<p class="wp-block-paragraph">&nbsp;“<em>Deze aarzeling betreft het feit dat het normaal-menselijk egocentrisme en gebrek aan zelfkennis in combinatie met het denken in termen van rechten er in de praktijk toe leiden dat wie denkt en spreekt over rechten, het veelal heeft over zijn eigen rechten. Daar ligt de focus. Men staat in de wereld als drager van rechten. Alle andere zijn zo gezien mogelijke schenders van rechten. </em>Vervolgens vraagt Kinneging aandacht voor de andere kant van de medaille en schrijft dan<em>: “(…)Wie zichzelf vooral ziet als drager van plichten, zal zich niet zozeer afvragen of anderen zijn rechten schenden, als wel of hijzelf niet tekortschiet jegens anderen</em>. <em>Hij zal dus de schuld allereerst bij zichzelf zoeken en niet meteen bij de ander. Hij klaagt minder en zegt vaker ‘sorry’. Het conflictpotentieel neemt daardoor sterk af.</em>”</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het voortdurend tamboereren op het feit dat de legitieme portie een schending van het eigendomsrecht is, maakt mijn inziens dat er geen of te weinig aandacht is voor het feit dat de legitieme portie een uitdrukking is van de plicht die wij hebben om op een juiste wijze om te gaan met onze eigendommen. Iemand die roept dat hij zelf wel bepaalt wat hij met zijn vermogen doet en dat hij aan niemand daarover verantwoording schuldig is, toont mijn inziens maar weinig moreel plichtsbesef. In deel één van deze serie schreef ik dan ook dat de wetgeving in die zin corrigerend werkt. </p>



<p class="wp-block-paragraph">Mijn conclusie is dat het eigendomsrecht nooit absoluut kan zijn, maar beperkt wordt door de plicht die we hebben om op een juiste wijze met onze eigendommen om te gaan. Één van die plichten is dan om in een juiste verhouding te staan met het kind waarvan je de ouder bent. Die juiste verhouding wordt onder meer tot uitdrukking gebracht in de wijze waarop je beschikt over je nalatenschap. Dat de legitieme portie zodoende een inbreuk is op het eigendomsrecht is waar, doch het betreft een gerechtvaardigde inbreuk die ons doet beseffen dat we niet alleen rechten hebben, maar ook plichten.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Dit artikel is een onderdeel van een reeks artikelen over het bestaansrecht van de legitieme portie. In deze reeks artikelen wordt dit bestaansrecht belicht vanuit diverse invalshoeken. Bent u geïnteresseerd en wilt u deze artikelen lezen, volg dan het LinkedIn-account van De Bakker Advocaten &amp; Erfrechtspecialisten.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Auteur: mr. A.C. de Bakker</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="has-small-font-size wp-block-paragraph"><a id="_ftn1" href="#_ftnref1">[1]</a> De franciscaner monniken (een beweging die opkwam in de dertiende eeuw) meenden bijvoorbeeld afstand te kunnen doen van eigendomsrechten. Zij deden afstand van alle eigendom, bezit, vruchtgebruik en gebruiksrechten en behielden slechts, zoals zij dat zeiden ‘een eenvoudig feitelijk gebruik” van de dingen. Zie ook <a href="https://www.bol.com/nl/nl/f/de-uitvinding-van-het-individu/9300000109255658/" target="_blank" rel="noreferrer noopener">Larry Siedentop, <em>De uitvinding van het individu</em></a> , Utrecht 2022, p. 333. Maar ook in andere (hedendaagse) culturen wordt het onderscheid tussen ‘mijn en dijn’ niet zo scherp gemaakt als wij dat doen;<br><a id="_ftn2" href="#_ftnref2">[2]</a> W. Aalders, <em>De overlevingskansen van een protestantse natie, Nederland in een verenigd Europa</em>, Den Haag 1987, p. 124;<br><a id="_ftn3" href="#_ftnref3">[3]</a> A. Kinneging, <em>De onzichtbare maat, archeologie van goed en kwaad</em>, Amsterdam 2020, p. 136;<br><a id="_ftn4" href="#_ftnref4">[4]</a> Larry Siedentop, <em>De uitvinding van het individu</em>, Utrecht 2022, p. 27;<br><a id="_ftn5" href="#_ftnref5">[5]</a> Vgl. ook Leviticus 25:23 waarin aan het Joodse volk de volgende leefregel werd voorgeschreven: “<em>Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij” </em>en 1 Koningen 21 waarin het verhaal wordt verteld dat Achab met een list de wijngaard van Naboth in eigendom verkrijgt;<em>&nbsp;</em><br><a id="_ftn6" href="#_ftnref6">[6]</a> Harold J. Berman, <em>Law and Revolution, The formation of the Western Legal Tradition</em>, Harvard University Press 1983, p. 231-332;<br><a id="_ftn7" href="#_ftnref7">[7]</a> Idem noot 6;<br><a id="_ftn8" href="#_ftnref8">[8]</a> Larry Siedentop, <em>De uitvinding van het individu</em>, Utrecht 2022, beschrijft uitvoerig deze ontwikkeling door eeuwen heen;<br><a id="_ftn9" href="#_ftnref9">[9]</a> Larry Siedentop, <em>De uitvinding van het individu</em>, Utrecht 2022, p. 270;&nbsp; In dat kader werd het bijvoorbeeld vaders moeilijker gemaakt om buitenechtelijke kinderen tot wettige erfgenamen te maken. Toen de laatste graaf van Montpellier in 1202 dispensatie vroeg om een buitenechtelijke zoon wettelijk te erkennen zodat hij zou kunnen erven, wees paus Innocentius III dat verzoek af;<br><a id="_ftn10" href="#_ftnref10">[10]</a> A. Kinneging, <em>Je mag zeggen wat je denkt, Als je maar hetzelfde denk als iedereen</em>, Amsterdam 2020, P. 159;</p>



<p class="wp-block-paragraph">Lees ook:<br><a href="https://www.erfrechtonline.nl/behoud-legitieme-portie-de-is-wetgeving-volgend-of-corrigerend/">Deel 1: Is wetgeving volgend of corrigerend?</a><br><a href="https://www.erfrechtonline.nl/behoud-legitieme-portie-band-tussen-ouder-en-kind/">Deel 2: De fundamentele band tussen ouder en kind</a><br><a href="https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-4-het-besluit-om-te-onterven/">Deel 4: Het besluit om te onterven</a></p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-3-eigendomsrecht-of-eigendomsplicht/">Pleidooi voor behoud van de legitieme portie – deel 3: Eigendomsrecht of eigendomsplicht?</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Wie niet steelt of erft, werkt tot hij sterft</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/wat-te-doen-als-erfgenaam-steelt-van-erflater/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Sun, 07 May 2023 06:43:08 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2110</guid>

					<description><![CDATA[<p>&#8216;Wie niet steelt of erft, werkt tot hij sterft&#8217;, zo luidt een Oudhollands gezegde. Maar hoe zit het nu precies als een erfgenaam heeft gestolen van de erflater? Met een voorbeeld uit de praktijk wordt in deze blog uitgelegd dat oneerlijk gedrag van een erfgenaam wordt afgestraft. Die situatie die in deze blog wordt besproken [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/wat-te-doen-als-erfgenaam-steelt-van-erflater/">Wie niet steelt of erft, werkt tot hij sterft</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">&#8216;<em>Wie niet steelt of erft, werkt tot hij sterft&#8217;</em>, zo luidt een Oudhollands gezegde. Maar hoe zit het nu precies als een erfgenaam heeft gestolen van de erflater? Met een voorbeeld uit de praktijk wordt in deze blog uitgelegd dat oneerlijk gedrag van een erfgenaam wordt afgestraft. </p>



<p class="wp-block-paragraph">Die situatie die in deze blog wordt besproken is terug te lezen in een uitspraak van gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2023). De situatie is als volgt. Vader overleed en op grond van zijn testament waren zijn zoon en twee dochters als erfgenamen tot de nalatenschap geroepen. Er ontstond tussen hen discussie over de afwikkeling van de nalatenschap. De ene dochter zou zonder toestemming van vader drie schilderijen en twee beelden uit zijn woning hebben weggenomen. De waarde van deze vijf zaken bedroeg ongeveer € 25.000,-. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor het standpunt van de broer en andere zus dat hun zus die vijf zaken zich inderdaad onrechtmatig had toegeëigend. Omdat de broer en zus het niet eens waren met dit oordeel van de rechtbank, zijn ze in beroep gegaan. Zodoende moest het gerechtshof opnieuw beoordelen of de ene dochter onrechtmatig had gehandeld. Hoe loopt dit af?</p>



<p class="wp-block-paragraph">Als de zus inderdaad goederen van vader zich onrechtmatig had toegeëigend, dan zou na het overlijden van vader de nalatenschap van vader een vordering hebben op de zus hebben uit hoofde van een onrechtmatige daad.&nbsp;Dat vorderingsrecht komt dan toe aan de gezamenlijke erfgenamen (waaronder de stelende zus). Als de stelende zus vervolgens het bestaan van dit vorderingsrecht opzettelijk verzwijgt jegens haar broer en zus, dan verbeurt zij haar aandeel daarin aan de broer en zus op grond van artikel 3:194 lid 2 BW. In dit artikellid staat het volgende:</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>&#8220;Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.&#8221;</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Simpel gezegd: als iemand tegenover zijn mede-erfgenamen verzwijgt dat bepaalde goederen tot de erfenis behoren (en als de andere erfgenamen dat merken), dan is die persoon voor dat goed zelf geen erfgenaam meer. Oftewel: als blijkt dat de zus de schilderijen en beelden inderdaad onrechtmatig heeft meegenomen, dan heeft de nalatenschap van vader een vordering op haar. Zij had in dat geval het bestaan van die vordering (een vordering is in juridische zin een goed) aan haar broer en zus moeten melden. In het geval zij dat niet heeft gedaan, is zij geen erfgenaam meer voor deze vijf zaken.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het gerechtshof oordeelde in het arrest van 31 januari 2023 dat de ene zus de goederen zich inderdaad onrechtmatig had toegeëigend. Het gerechtshof vond dat hiervoor voldoende bewijs was geleverd.&nbsp;Namens vader was destijds door de andere zus namelijk aangifte van diefstal gedaan bij de politie. Daaruit blijkt dat, toen de andere zus op een gegeven moment in de woning kwam,&nbsp;zij zag dat er diverse kastjes en laden waren doorzocht en dat er spullen waren verdwenen, waaronder drie schilderijen.  Op tafel lag een door de zus ondertekend briefje waarop stond: “Zoals afgesproken met pa heb ik de spullen meegenomen&#8221;. Later heeft de zus verklaard dat zij bepaalde schilderijen niet in bezit had, terwijl de broer en zus ontdekten dat zij de schilderijen te koop had aangebonden via een veilinghuis. &nbsp;</p>



<p class="wp-block-paragraph">De grondslag van de vordering van de broer en zus is dat vader een vorderingsrecht had op de andere zus in verband met de door haar weggenomen zaken. Dit vorderingsrecht maakt onderdeel uit van de nalatenschap van vader. De waarde van het vorderingsrecht is gelijk aan de waarde van de drie weggenomen schilderijen en één beeld. De vervangingswaarde van de drie schilderijen en het beeld zijn samen getaxeerd op € 17.500,-. De nalatenschap van vader heeft dus een (schade)vordering op de zus ter waarde van € 17.500,-.&nbsp;Het is vervolgens de vraag of de zus haar aandeel in dat recht heeft verbeurd. Het hof oordeelt dat dit het geval is, overigens zonder dat in het arrest te motiveren. Dat is opmerkelijk, omdat art. 3:194 lid 2 BW vereist dat de deelgenoot de tot de gemeenschap behorende goederen&nbsp;<em>opzettelijk</em>&nbsp;verzwijgt, zoekmaakt of verborgen houdt. </p>



<p class="wp-block-paragraph">Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat aan het bewijs van opzet zware eisen dienen te worden gesteld <a href="https://wetten.overheid.nl/BWBR0005048/1999-10-01">(</a><a href="https://wetten.overheid.nl/BWBR0005048/1999-10-01" target="_blank" rel="noreferrer noopener">Nota II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6),</a> p. 1307). Deze zware eis wordt gesteld, omdat de sanctie van het verbeurd verklaren van een aandeel een zware sanctie is: men verliest zijn recht op een aandeel in die goederen. Er moet ook sprake zijn het oogmerk om de rechten van de andere deelgenoot te verkorten. Maar ook daarover wordt niets in het arrest vermeld. </p>



<p class="wp-block-paragraph">Het gerechtshof veroordeelt de zus om aan de broer en de ander zus ieder (€ 17.500 : 2 =) € 8.750,- te vergoeden. De zus moet ook de proceskosten en de beslagkosten betalen. Art. 237 lid 1 Rv overigens bepaalt dat de proceskosten geheel of gedeeltelijk gecompenseerd (dat betekent dat ieder zijn eigen kosten dient te dragen) mogen worden tussen broers en zusters, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. In deze zaak is sprake van (I) een procedure tussen broer en zussen&nbsp;en&nbsp;(II) zijn partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld.&nbsp;Dit leert dat ook in erfrechtelijke procedures proceskostenveroordelingen kunnen plaatsvinden, ondanks het bepaalde in art. 237 lid 1 Rv. </p>



<p class="wp-block-paragraph">Een ander voorbeeld van het verbeuren van een aandeel in een goed, blijkt uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:4660). In deze zaak was een vrouw overleden en waren haar twee zoons haar enig erfgenamen. De ene zoon heeft evenwel na het overlijden van moeder gebruik gemaakt van haar bankrekening. Hij heeft van deze bankrekening geld naar zichzelf  overgemaakt en allerlei privé-uitgaven met de pinpas van moeder gedaan. Hij heeft onder meer geld uitgegeven aan boodschappen, Feyenoord, restaurants en schoenenwinkels. In totaal was hiermee het bedrag gemoeid van&nbsp;€ 28.988,87. Deze uitgaven zijn onrechtmatig en daarom heeft de nalatenschap van moeder een vordering op hem van € 28.988,87. Hij heeft een deel van deze onrechtmatige transacties aan zijn broer vermeld, namelijk voor het bedrag van&nbsp;€ 6.300,57. De andere broer stelt dat zijn broer het niet gemelde deel van € 22.688,30&nbsp;heeft verwegen en verborgen heeft willen houden. De rechtbank volgt dit standpunt en oordeelt dat de broer zijn aandeel in het hiervoor vermelde bedrag van € 22.688,30 heeft verbeurd aan de andere broer. Ook in deze zaak volgt een proceskostenveroordeling. De rechtbank motiveert die veroordeling als volgt. In beginsel geldt dat de proceskosten worden gecompenseerd als het een procedure tussen broers betreft. De rechtbank ziet echter in deze zaak voldoende reden om hier van af te wijken, omdat de ene broer opzettelijk de onrechtmatige overboekingen en uitgaven heeft verzwegen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Wie niet steelt of erft&#8230;Het is dus ook mogelijk om te erven en stelen tegelijk. Men verbeurt dan echter zijn aandeel in die goederen aan de andere erfgenamen. Ondanks het erven moet men dan toch blijven werken. <br></p>



<p class="wp-block-paragraph">Meer te weten komen over erven? Bekijk dan ook eens onze overige <a href="https://www.erfrechtonline.nl/artikelen/">artikelen.</a></p>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/wat-te-doen-als-erfgenaam-steelt-van-erflater/">Wie niet steelt of erft, werkt tot hij sterft</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Moet verwerping van de nalatenschap door de bewindvoerder binnen drie maanden plaatsvinden?</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/verwerping-nalatenschap-binnen-drie-maanden/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 18 Mar 2023 20:43:15 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2092</guid>

					<description><![CDATA[<p>Als bewindvoerder kun je te maken krijgen met een nalatenschap waarvan de cliënt (oftewel: de rechthebbende) erfgenaam is. Als het bewind alle goederen van de rechthebbende betreft, zul je als bewindvoerder voor de rechthebbende de nalatenschap moeten aanvaarden of verwerpen. Maar moet zo’n keuze nu binnen drie maanden worden gemaakt of niet? En als je [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/verwerping-nalatenschap-binnen-drie-maanden/">Moet verwerping van de nalatenschap door de bewindvoerder binnen drie maanden plaatsvinden?</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">Als bewindvoerder kun je te maken krijgen met een nalatenschap waarvan de cliënt (oftewel: de rechthebbende) erfgenaam is. Als het bewind alle goederen van de rechthebbende betreft, zul je als bewindvoerder voor de rechthebbende de nalatenschap moeten aanvaarden of verwerpen. Maar moet zo’n keuze nu binnen drie maanden worden gemaakt of niet? En als je binnen die termijn geen keuze hebt gemaakt, geldt dan dat er van rechtswege sprake is van een beneficiaire aanvaarding? Er lijkt hierover wat verwarring te zijn.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Wat staat er in de wet?</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">In het deel van de wet dat gaat over het erfrecht staat het volgende (art. 4:193 BW):</p>



<p class="wp-block-paragraph">&#8220;<em>1. Een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam kan voor deze niet zuiver aanvaarden en behoeft voor verwerping een machtiging van de kantonrechter. Hij is verplicht een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt. Deze termijn kan overeenkomstig artikel 192 lid 2, tweede zin, worden verlengd.<br>2. Heeft hij de termijn laten verlopen, dan geldt de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard. De kantonrechter kan hiervan aantekening doen houden in het boedelregister.<br>3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing in het geval, bedoeld in artikel 41 van de Faillissementswet.</em>&#8220;</p>



<p class="wp-block-paragraph">In de afdeling van de wet die ziet op de taken van de (meerderjarigen)bewindvoerder staat het volgende (art. 1:441 lid 5 BW):</p>



<p class="wp-block-paragraph">&#8220;<em>De bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd een aan de rechthebbende opgekomen nalatenschap te aanvaarden. Tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming van de rechthebbende, kan de bewindvoerder niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.</em>&#8220;</p>



<p class="wp-block-paragraph">Er zijn dus twee verschillende bepalingen die elk iets anders bepalen. In de ene bepaling staat dat er een termijn geldt van drie maanden en in de andere bepaling niet. Maar er is nog een verschil. In de ene bepaling staat dat zuivere aanvaarding niet mogelijk is en in de ander bepaling wel.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Wat zeggen rechters?</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De kantonrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad oordeelde dat art. 4:193 BW niet voor bewindvoerders geldt.<a href="#_ftn1">[1]</a> De term ‘wettelijk vertegenwoordiger’ in genoemd artikel ziet volgens deze kantonrechter niet op (meerderjarigen)bewindvoerders, maar op ouders, voogden en curatoren die handelingsonbekwame personen vertegenwoordigen. Bij beschermingsbewind is echter geen sprake van handelingsonbekwaamheid.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kwam tot een gelijk oordeel als de kantonrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad.<a id="_ftnref2" href="#_ftn2">[2]</a> Het Gerechtshof wijst er op dat de heersende opvatting in de rechtsliteratuur lijkt te zijn dat art. 1:441 lid 5 BW als een bijzondere bepaling (een ‘lex specialis’) moet worden gezien van art. 4:193 BW. Het Gerechtshof overweegt verder dat wettelijke beschermingsmaatregelen niet verder mogelijk ingrijpen dan noodzakelijk is. Omdat art. 4:193 BW de autonomie van de rechthebbende verder beknot – hetgeen onnodig is – dan art. 1:441 lid 5 BW, dient art. 4:193 BW buiten toepassing te blijven.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant denkt er echter anders over.<a id="_ftnref3" href="#_ftn3">[3]</a> Deze kantonrechter overweegt dat art. 4:193 BW zorgt voor rechtszekerheid, onder meer omdat de bewindvoerder door de termijn van drie maanden niet kan blijven stilzitten en afwachten. Daarentegen dwingt art. 4:193 BW de bewindvoerder om iets met de nalatenschap te gaan doen. De kantonrechter overweegt verder dat art. 4:193 BW de rechten niet verder beknot dan art. 1:441 lid 5 BW doet.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Rechters oordelen dus verschillend over de vraag of de verwerping binnen drie maanden gedaan dient te worden of niet.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Wat zeggen de rechtsgeleerden?</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kolkman gaat in een artikel op voornoemde problematiek in.<a id="_ftnref4" href="#_ftn4">[4]</a> In zijn artikel wijst Kolkman op het beginsel van proportionaliteit dat verdragsrechtelijke wortels heeft. Het beginsel ziet er op dat de maatregel van beschermingsbewind niet verder mag strekken dan nodig is en dat het primaat bij de autonomie van de rechthebbende dient te liggen. Art. 4:193 BW ontneemt de rechthebbende en de bewindvoerder de mogelijkheid om na drie maanden nog een andere keuze te doen (immers geldt volgens genoemd artikel dat de nalatenschap alsdan van rechtswege beneficiair is aanvaard). Evenzo sluit art. 4:193 BW de keuze voor zuivere aanvaarding uit. Kolkman ziet art. 1:441 lid 5 BW net als de kantonrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad en als het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als een lex specialis van art. 4:193 BW. Kolkman verwijst in dit kader ook naar andere rechtsliteratuur (zie voetnoot 4).</p>



<p class="wp-block-paragraph">Kolkman wijst er in zijn artikel verder op dat voor de WSNP-bewindvoerder sowieso niet de termijn van drie maanden geldt, zulks gezien art. 4:193 lid 3 BW waarin de Faillissementswet van toepassing wordt verklaard. Gezien art. 313 Fw jo 41 Fw geldt dat de bewindvoerder de nalatenschap voor de saniet niet anders kan aanvaarden dan beneficiair en dat hij voor verwerping een machtiging van de rechter-commissaris behoeft. In deze artikelen wordt niet gesproken over de verplichting om de keuze binnen drie maanden na overlijden te maken. </p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Wat zeggen de expertgroepen van de rechtspraak?</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Aanbevelingen Meerderjarigenbewind (versie 2018, p. 17) bepalen het volgende<a href="#_ftn5" id="_ftnref5">[5]</a>:</p>



<p class="wp-block-paragraph">“<em>Indien vaststaat dat de nalatenschap positief is en de betrokkene in staat is om zijn wil te bepalen, mag de bewindvoerder de nalatenschap met toestemming van de betrokkene zuiver aanvaarden. Indien betrokkene niet in staat is zijn wil te bepalen kan de bewindvoerder niet anders dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair) aanvaarden</em>.”</p>



<p class="wp-block-paragraph">en<br><br>“<em>Wanneer de nalatenschap beneficiair wordt aanvaard of &#8211; met machtiging van de kantonrechter &#8211; wordt verworpen, dient de bewindvoerder deze verklaring ingevolge artikel 4:193 lid 1 BW in beginsel binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt, af te leggen</em>.”</p>



<p class="wp-block-paragraph">De Aanbevelen Meerderjarigenbewind geven dus enerzijds aan dat zuivere aanvaarding (in bepaalde gevallen) mogelijk is, maar ook dat de keuze binnen drie maanden gemaakt dient te worden. Van beide artikelen (zowel art. 1:441 lid 5 BW als art. 4:193 BW) zijn dus elementen terug te vinden in de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter (versie 9.0 november 2022, p. 94) geeft aan dat art. 4:193 BW ook geldt voor bewindvoerders.<a id="_ftnref6" href="#_ftn6">[6]</a> Een nadere motivering voor deze zienswijze ontbreekt in genoemde Handleiding.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Wat verder nog van belang is</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Het kan gebeuren dat een verzoek tot verkrijging van een machtiging tot verwerping binnen drie maanden wordt ingediend, maar dat niet binnen drie maanden op dat verzoek is beslist. Dat zou bij strikte toepassing van art. 4:193 BW ertoe leiden dat de verwerpingsverklaring niet tijdig is gedaan, ook al wordt door de kantonrechter een machtiging verleend. In de praktijk wordt echter de verwerpingsverklaring als tijdig aangemerkt indien het verzoek tot verkrijging van een machtiging binnen drie maanden is ingediend en de daadwerkelijke verklaring vervolgens binnen een door de kantonrechter de stellen termijn wordt afgelegd.<a id="_ftnref7" href="#_ftn7">[7]</a></p>



<p class="wp-block-paragraph">Verder is het goed om scherp te houden dat de termijn van drie maanden als bedoeld in art. 4:193 lid 1 BW gaat lopen vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt. Dat is niet altijd het moment waarop de nalatenschap openvalt. Het kan ook zijn dat een erfgenaam verwerpt waardoor vanwege plaatsvervulling een ander als erfgenaam tot de nalatenschap wordt geroepen. In dat geval begint de termijn te lopen op het moment dat de eerste erfgenaam de nalatenschap verwerpt.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Hoe nu te handelen in de praktijk?</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Gezien de verschillende wetsbepalingen en gezien de verschillende uitspraken en gezien de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind en de Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter, is het gewoonweg niet duidelijk of de termijn van drie maanden nu wel of niet geldt. Hoog tijd dus om deze vraag eens voor te leggen aan de Hoge Raad. Het is aan te raden om &#8211; zolang er onzekerheid bestaat over het antwoord &#8211; er vanuit te gaan dat het verzoek tot verkrijging van een machtiging binnen drie maanden moet worden ingediend. </p>



<p class="wp-block-paragraph">Indien er een bewindvoerder is die een verzoek tot verkrijging van een machtiging tot verwerping wil indienen en daarmee &#8217;te laat&#8217; is, dan zou deze er goed aan doen om voorgaande problematiek aan de kantonrechter voor te houden en de kantonrechter te verzoeken een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad. Ons kantoor staat de betreffende bewindvoerder daarin graag bij.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph"><a id="_ftn1" href="#_ftnref1">[1]</a> Kantonrechter van de Rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 10 oktober 2006, ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ0018.<br><a id="_ftn2" href="#_ftnref2">[2]</a> Gerechtshof Anrhem-Leeuwarden d.d. 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8787.<br><a id="_ftn3" href="#_ftnref3">[3]</a> Kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 10 februari 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:743.<br><a id="_ftn4" href="#_ftnref4">[4]</a> W.D. Kolkman, <em>Aanvaarding, verwerping en beschermingsbewind: geen automatisme na drie maanden, </em>TE 2019/4 (vgl. ook Asser/Perrick 4 2017/506a en Reinhartz, GS Erfrecht, art. 4:193 BW, aant. 2).<br><a id="_ftn5" href="#_ftnref5">[5]</a> De Expertgroep Curatele, Beschermingsbewind en Mentorschap (CBM) van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel, Kanton en Toezicht (LOVCK&amp;T) is verantwoordelijk voor de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind.<br><a id="_ftn6" href="#_ftnref6">[6]</a> De Expertgroep Erfrecht van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel, Kanton en Toezicht (LOVCK&amp;T) is verantwoordelijk voor de Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter.<br><a id="_ftn7" href="#_ftnref7">[7]</a> Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 26 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5920.</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/verwerping-nalatenschap-binnen-drie-maanden/">Moet verwerping van de nalatenschap door de bewindvoerder binnen drie maanden plaatsvinden?</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Pleidooi behoud legitieme portie – deel 2: De fundamentele band tussen ouder en kind</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/behoud-legitieme-portie-band-tussen-ouder-en-kind/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 02 Mar 2023 21:36:10 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2070</guid>

					<description><![CDATA[<p>In het eerste deel van deze serie artikelen heb ik geschreven dat de legitieme portie een morele norm tot uitdrukking zou moeten brengen. Ik doelde daarbij op de plicht die ouders en kinderen hebben om in goede harmonie met elkaar samen te leven. In dit deel wil ik dit verder uitdiepen en toelichten vanuit een [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/behoud-legitieme-portie-band-tussen-ouder-en-kind/">Pleidooi behoud legitieme portie – deel 2: De fundamentele band tussen ouder en kind</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In het eerste deel van deze serie artikelen heb ik geschreven dat de legitieme portie een morele norm tot uitdrukking zou moeten brengen. Ik doelde daarbij op de plicht die ouders en kinderen hebben om in goede harmonie met elkaar samen te leven. In dit deel wil ik dit verder uitdiepen en toelichten vanuit een psychologische invalshoek. </p>



<p class="wp-block-paragraph">In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat de mens van nature een sociaal wezen is. Vanaf de geboorte existeert een mens altijd in relatie tot de anderen om hem heen. Het leven van een mens wordt gekenmerkt door een veelheid aan complexe interpersoonlijke verbanden.<a id="_ftnref1" href="#_ftn1">[1]</a> Sommige relaties gaat een mens vrijwillig aan (denk aan vriendschappen) en andere relaties zijn onverbreekbaar en vaststaand (namelijk familierelaties). Er kan sprake zijn van liefdevolle relaties en van haatdragende relaties. Maar de grens tussen haat en liefde is soms flinterdun. Het is – ook als het gaat om de vraag of de legitieme portie moet worden afgeschaft – van belang om eens wat meer in te zoomen op de relatie tussen die van een ouder en een kind. Mijn inspiratie daarvoor vond ik in het boek ‘<em>De Liefdesladder</em>’, geschreven door Else-Marie van den Eerenbeemt.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Van den Eerenbeemt maakt in genoemd boek met zoveel woorden duidelijk dat de ouder-kind relatie een unieke en onverbreekbare relatie is. ‘<em>Overal ter wereld, in elke cultuur, staat de ouder-kindrelatie voor de meest fundamentele band die mensen kunnen hebben</em>.’ Het is een relatie die zelfs bestand is tegen de dood. Vriendschappen kunnen verbroken worden, maar familierelaties zijn onverbreekbaar. Familie blijft familie, ongeacht of er wel of geen contact is tussen de familieleden. Er blijft ook altijd een wisselwerking bestaan tussen een ouder en een kind, een wisselwerking die er zelfs nog is als één van de twee is overleden (een dochter kan bijvoorbeeld na het overlijden van haar moeder zich afvragen wat haar moeder in een bepaalde situatie zou doen). De relatie tussen een ouder en kind duurt (net als alle andere familierelaties) dus altijd voort en kan niet verbroken worden.<a href="#_ftn2" id="_ftnref2">[2]</a> &nbsp;</p>



<p class="wp-block-paragraph">Een kind is ook verbonden met de voorgaande generaties op basis van biologische en genetische verwantschap. Het kind is daardoor geworteld in een materieel en immaterieel erfgoed dat door de generaties heen wordt doorgegeven. Als een als kind vijandig gaat staan tegenover zijn wortels (of door zijn ouders daarvan wordt afgesneden), dan komt het kind in wezen vijandig te staan tegenover zichzelf of buiten een deel van zijn identiteit, hetgeen allerlei psychische problemen met zich mee kan brengen. Als er geen verbondenheid is met het verleden, dan geeft dat een versnipperde en een onsamenhangende identiteit. Van den Eerenbeemt merkt op dat zij keer op keer ziet dat een breuk niet zonder meer de (gevoelde) problemen oplost. Het kind wordt eigenlijk alleen maar ‘onvrijer’. Een breuk werkt zelden bevrijdend. Het kind is vaak dag en nacht bezig om te bewijzen dat hij met zijn ouders niets meer te maken heeft, evenwel praat het kind over niets anders. Voor ouders is het veelal niet anders. Ook ouders blijven zich, ondanks wat er is gebeurd, verbonden voelen aan hun kind. <br><br>Ik kan als erfrechtadvocaat de constateringen van Van den Eerenbeemt in bepaalde mate beamen. Het verbaast mij soms hoeveel onterfde kinderen (die soms al decennialang de betreffende overleden ouder niet hebben gesproken en gezien) nog ‘aan verhaal hebben’ over die ouder en over de reden van het verbroken contact. Het aanspraak maken op de legitieme portie door zo’n kind gaat lang niet altijd om het ontvangen van een geldsom, maar veel vaker om het vinden van erkenning. Het gaat dan in feite om de erkenning dat iemand je ouder is met wie je een band hebt (ongeacht wat er heeft plaatsgevonden tijdens het leven). Het is mij duidelijk dat het verbreken van contact niet hetzelfde is als het zetten van een punt (ook al wil men soms niets liever dan een punt zetten). De familierelatie blijft gewoon bestaan en dat wordt ook in min of meerdere mate gevoeld.</p>



<p class="wp-block-paragraph">In de relatie tot een ouder kan een kind gemakkelijk ‘builen en butsen’ oplopen. De ouderliefde is kwetsbaar. Dit komt mede omdat een heel jong kind afhankelijk is van zijn ouders en zijn focus sterk gericht heeft op die ouders, terwijl omgekeerd die ouders met veel meer dingen bezig zijn dan alleen dat kind. Dat kan ertoe leiden dat een kind teleurstellingen ervaart waarvan de ouders zich niet bewust zijn. Dit kan in sommige gevallen een nare uitwerking hebben in het latere leven van het kind en tot een ernstige verstoring leiden in de relatie tussen de ouder en het kind. En dat kan weer leiden tot een onterving van dat kind door de ouder. Van den Eerenbeemt wijst erop dat de onterving van een kind ingrijpende consequenties kan hebben. De gevolgen van de onterving&nbsp;kunnen tot ver in de komende generaties doorwerken. </p>



<p class="wp-block-paragraph">Ik wees er hiervoor reeds op dat de scheidslijn tussen haat en liefde soms flinterdun is. De verhalen die ik van onterfde kinderen hoor doen in sommige gevallen het vermoeden rijzen dat men ‘na wat butsen en builen’ te hebben opgelopen, voortdurend op die scheidslijn is blijven lopen. De onterving het kind vond dan plaats op het moment dat het kind zich net aan de verkeerde kant van de scheidslijn bevond. Het is dan maar goed dat de legitieme portie er is die enigszins verzachtend werkt.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Als afsluiting van dit deel het volgende. Van den Eerenbeemt wijst er op dat verzoening van groot belang is voor het (psychisch) welbevinden van de betrokkenen. Dat geldt overigens ook bij een breuk in een vriendschappelijke relatie (Van den Eerenbeemt noemt dit de horizontale relatie). Maar bij de fundamentele ouder-kind relatie (de verticale relatie) geldt dit des te meer. Het gaat er bij verzoening niet om dat er een schuldige wordt aangewezen, maar het gaat er om dat er begrip ontstaat en dat wordt gezien dat een ouder een voorgeschiedenis heeft en dat de persoonlijkheid van de ouder een gevolg is van het erfgoed dat hij van zijn ouders heeft meegekregen. Een ouder kan op zijn beurt begrip krijgen voor het kind door hertaxatie van de gebeurtenissen. Dit kan als de ouder zich gaat verplaatsen in het kind en vanuit diens perspectief de werkelijkheid bekijkt.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Erkennen van verbondenheid en het komen tot verzoening is dus in ieder geval vanuit psychologisch oogpunt zeer aan te bevelen. En dat sluit aan bij mijn betoog in het eerste deel van deze reeks artikelen, namelijk dat verzoening en herstel de norm dient te zijn die in onze wetgeving tot uitdrukking dient te worden gebracht, onder meer door de legitieme portie in de wet te handhaven. Een onterving is in bepaalde gevallen zonder meer begrijpelijk. Maar tegelijkertijd is een onterving een uiting van de menselijke onmacht om op een juiste wijze tot elkaar in verhouding te staan. Ik pleit er niet voor om het onterven van een kind onmogelijk te maken. Maar ik pleit er wel voor om de wet boven de menselijke onmacht te laten uitstijgen en waar nodig die onmacht te corrigeren. Die correctie kan dan gevonden worden in de rechtsfiguur van de legitieme portie. Als men tijdens het leven niet in staat is om tot elkaar in een juiste verhouding te staan met een onterving als gevolg, dan dient de wet dat enigszins na het overlijden te corrigeren door toch nog een erfrechtelijke aanspraak aan het kind toe te kennen. Daarmee wordt dan de fundamentele band tussen ouder en kind erkend en wordt de onmacht om tot verzoening te komen gecorrigeerd. <br><br>Dit artikel is een onderdeel van een reeks artikelen over het bestaansrecht van de legitieme portie. In deze reeks artikelen wordt dit bestaansrecht belicht vanuit diverse invalshoeken. Bent u geïnteresseerd en wilt u deze artikelen lezen, volg dan het LinkedIn-account van De Bakker Advocaten &amp; Erfrechtspecialisten.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Auteur: mr. A.C. de Bakker</em></p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="has-palette-color-4-color has-text-color has-small-font-size wp-block-paragraph"><em><a id="_ftn1" href="#_ftnref1">[1]</a> De psychiater Ludwig Binswanger (1881-1966) schreef hierover en interessante verhandeling onder de titel ‘<a href="https://www.bibliotheek.nl/catalogus/titel.800336771.html/grundformen-und-erkenntnis-menschlichen-daseins/" target="_blank" rel="noreferrer noopener">Grundformen</a>’.<br><a id="_ftn2" href="#_ftnref2">[2]</a> Van den Eerenbeemt geeft hierbij aan geïnspireerd te zijn door de ideeën van de Hongaarse psychiater Ivan Boszormenyi-Nagy (1920-2007).</em><br></p>



<p class="wp-block-paragraph">Lees ook:<br><a href="https://www.erfrechtonline.nl/behoud-legitieme-portie-de-is-wetgeving-volgend-of-corrigerend/">Deel 1: Is wetgeving volgend of corrigerend?<br></a><a href="https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-3-eigendomsrecht-of-eigendomsplicht/">Deel 3: Eigendomsrecht of eigendomsplicht?</a><br><a href="https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-4-het-besluit-om-te-onterven/">Deel 4: Het besluit om te onterven</a></p>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/behoud-legitieme-portie-band-tussen-ouder-en-kind/">Pleidooi behoud legitieme portie – deel 2: De fundamentele band tussen ouder en kind</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Pleidooi behoud van de legitieme portie &#8211; deel 1: Is wetgeving volgend of corrigerend?</title>
		<link>https://www.erfrechtonline.nl/behoud-legitieme-portie-de-is-wetgeving-volgend-of-corrigerend/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Luke Stout - Decit Automatisering]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 25 Feb 2023 11:41:14 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfrecht]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://www.erfrechtonline.nl/?p=2060</guid>

					<description><![CDATA[<p>Moet de legitieme portie worden afgeschaft? In het in december 2020 gepubliceerde rapport van het Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit over de legitieme portie komt men tot de aanbeveling om de ‘klassieke’ legitieme portie af te schaffen. Ten grondslag aan deze aanbeveling ligt een geconstateerde afname van het maatschappelijk draagvlak voor de [&#8230;]</p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/behoud-legitieme-portie-de-is-wetgeving-volgend-of-corrigerend/">Pleidooi behoud van de legitieme portie &#8211; deel 1: Is wetgeving volgend of corrigerend?</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">Moet de legitieme portie worden afgeschaft? In het in december 2020 gepubliceerde rapport van het <a href="https://www.legitiemeportie.com/" target="_blank" rel="noreferrer noopener">Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit</a> over de legitieme portie komt men tot de aanbeveling om de ‘klassieke’ legitieme portie af te schaffen. Ten grondslag aan deze aanbeveling ligt een geconstateerde afname van het maatschappelijk draagvlak voor de instandhouding van de legitieme portie.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het rapport geeft echter geen antwoord op de vraag waarom mensen ervoor kiezen om hun kinderen te onterven. Evenmin wordt er een verklaring gegeven voor het feit dat het aantal ontervingen in de praktijk toeneemt. Bij het beantwoorden van de vraag of de legitieme portie moet worden afgeschaft, zijn dat echter wel relevante vragen. Ook is het goed om eens wat dieper na te denken over testeervrijheid in verhouding tot eigendomsrecht en individualiteit. Is een ongelimiteerde testeervrijheid eigenlijk wel goed te rechtvaardigen? En hoe komen mensen nu tot de beslissing om een kind te onterven en waarom zou een wettelijke correctie op een dergelijke beslissing niet mogelijk moeten zijn?</p>



<p class="wp-block-paragraph">Als we de parlementaire discussie over de legitieme portie in de jaren ’90 lezen, dan zien we dat er nadruk wordt gelegd op de plicht die ouders hebben tegenover hun kinderen en dat de legitieme portie ertoe dient het familievermogen in stand te gehouden en dat de legitieme portie beantwoordt aan een zeker rechtsbewustzijn. Maar om wat voor plicht hebben we het dan? En wat is dat dan voor een rechtsbewustzijn?</p>



<p class="wp-block-paragraph">In een aantal artikelen wil ik de discussie over het al dan niet afschaffen van de legitieme portie vanuit diverse invalshoeken belichten en uitdiepen. Vanuit de samenhang van deze artikelen pleit ik voor het behoud van de legitieme portie. De grondgedachte daarbij is dat de wet in deze niet zozeer de maatschappelijk ontwikkeling dient te volgen, maar dat de wet – als het gaat om de legitieme portie – een rechtsnorm tot uitdrukking dient te brengen. De rechtsnorm dient dan een sturende of corrigerende werking te hebben. Ik licht dat als volgt toe.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Ik meen dat ieder mens de plicht heeft om in goede harmonie met anderen te leven. Dat geldt temeer als er sprake is van een bloedband en nog meer in een ouder-kindrelatie. Dat dit in de praktijk niet altijd lukt en dat er verbroken en verstoorde (familie)relaties zijn, is een feit. Dat brengt echter niet met zich mee dat een dergelijke verwijdering tussen mensen met een bloedband onderstreept zou moeten worden door onze wet. Nee, de wet zou juist tot uitdrukking moeten brengen hoe men behoort te leven. Een goede en liefdevolle ouder-kindrelatie dient de norm te zijn. Het wettelijk mogelijk maken dat een kind geheel niets van zijn ouders kan erven (dus ook geen legitieme portie) is mijn inziens het onderstrepen van gebrokenheid. Er zijn denk ik maar weinig (ik denk zelfs geen) ouders die bij de geboorte van een kind denken: ‘dit kind ga ik onterven’. Een onterving vindt vrijwel altijd haar oorzaak in gebeurtenissen die na de geboorte van het kind plaatsvinden. De wettelijke norm zou erop moeten wijzen dat het de bedoeling is dat de liefde die bij de geboorte van een kind wordt gevoeld, niet meer losgelaten mag worden. Ik teken daarbij nogmaals aan dat deze wettelijke norm niet overeenkomt met de praktijk van het leven. Maar dit is dan ook precies mijn punt. De rechtsnorm dient tot uitdrukking te brengen hoe men behoort te leven.&nbsp;</p>



<p class="wp-block-paragraph">Een onterving wordt in bepaalde gevallen ervaren als een laatste afrekening van de erflater met zijn kind. De wet moet zo’n laatste afrekening niet mogelijk maken. De wet zou daarentegen iets van een moreel besef tot uitdrukking moeten brengen, een besef dat een ouder niet op deze wijze met zijn kind behoort af te rekenen. De wet zou tot uitdrukking moeten brengen dat de erflater en het kind in een liefdevolle verhouding tot elkaar hadden moeten staan. Dat er dingen gebeuren in het leven die zorgen voor verwijdering en verdriet kan niet ontkend worden. Maar vergeving en herstel dient de norm te zijn. Iets daarvan kan tot uitdrukking worden gebracht in de rechtsfiguur van de legitieme portie.</p>



<p class="wp-block-paragraph">In bepaalde gevallen roept de onterving van het kind ook direct een gevoel van onrechtvaardigheid op. Als ik de zaken die ik in behandeling heb gehad in gedachten eens langsloop waarin de legitieme portie het kerngeschil vormde en waarbij dit onrechtvaardigheidsgevoel werd gevoeld, dan kom ik al snel een aantal zaken tegen waarin sprake was van misbruik van kinderen en van geweldpleging jegens kinderen. Deze ernstige en buitengewoon pijnlijke gebeurtenissen zorgden voor verbroken contact en uiteindelijke ook voor onterving. De legitieme portie werd in deze gevallen door sommigen van mijn cliënten als een ‘schadevergoeding’ gezien voor aangedaan leed. Ook herinner ik mij een zaak waarbij de testeerder in zijn testament zijn kinderen bij naam had benoemd tot erfgenaam ten gevolge waarvan het nadien geboren kind (naar ik aanneem) onbedoeld geen erfgenaam was. De legitieme portie zorgde ervoor dat het niet in het testament genoemde kind toch nog een aanspraak had op een deel van het vermogen. Ook komt in mijn gedachten een zaak voorbij waarbij een ouder het niet kon verkroppen dat een kind voor hem een goede plek in een verzorgingshuis had geregeld. Hij wilde koste wat het kost graag zelfstandig blijven wonen, zulks terwijl een ieder reeds zag dat dit onmogelijk en onverantwoord was. Gevolg was evenwel dat het kind zijn goede bedoelingen en zijn liefdevolle zorg voor zijn ouder moest bekopen met een onterving. Ook herinner ik mij diverse zaken waarin de onterfde kinderen met geen mogelijkheid konden bedenken waarom zij nu onterfd waren, veelal ten voordeel van een ander kind. Kortom: reeds in mijn praktijk zijn er voorbeelden te over waarbij het mijn inziens volstrekt onwenselijk zou zijn geweest als het betreffende kind geen aanspraak had kunnen maken op zijn legitieme portie. De rechtsfiguur van de legitieme portie werkte in die zaken als enigszins corrigerend.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Zoals gezegd zullen er nog een aantal artikelen volgen waarbij de discussie over het bestaansrecht van de legitieme portie belicht zal worden vanuit diverse invalshoeken en worden verdiept. Bent u geïnteresseerd en wilt u deze artikelen lezen, volg dan het LinkedIn-account van De Bakker Advocaten &amp; Erfrechtspecialisten.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Auteur: mr. A.C. de Bakker</em></p>



<p class="wp-block-paragraph"><a href="https://www.erfrechtonline.nl/behoud-legitieme-portie-band-tussen-ouder-en-kind/">Deel 2: De fundamentele band tussen ouder en kind</a><br><a href="https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-3-eigendomsrecht-of-eigendomsplicht/">Deel 3: Eigendomsrecht of eigendomsplicht?</a><br><a href="https://www.erfrechtonline.nl/pleidooi-behoud-legitieme-portie-deel-4-het-besluit-om-te-onterven/">Deel 4: Het besluit om te onterven</a></p>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
<p>Het bericht <a href="https://www.erfrechtonline.nl/behoud-legitieme-portie-de-is-wetgeving-volgend-of-corrigerend/">Pleidooi behoud van de legitieme portie &#8211; deel 1: Is wetgeving volgend of corrigerend?</a> verscheen eerst op <a href="https://www.erfrechtonline.nl">Mr. A.C. de Bakker</a>.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
	</channel>
</rss>
