Wist je dat de Romeinen zo’n 2000 jaar geleden ook al veel rechtszaken voerden over erfrechtkwesties. In veel gevallen gaat het in de kern om dezelfde rechtsproblemen die nu nog steeds voorkomen. Is het testament wel geldig? Is er sprake van een verboden beschikking? Kan het legaat wel uitgevoerd worden? Enigszins toevallig stuitte ik op de rede van prof. mr. J.E. Spruit die hij in 1973 uitsprak bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar.[1] De rede draagt de titel: “C. Plinius Caecilius secundus en het erfrecht van zijn tijd.” In de rede worden drie kwesties genoemd die gaan over vormgebreken bij het maken van uiterste wilsbeschikkingen. Telkens is de spanning voelbaar tussen enerzijds de rechtszekerheid en anderzijds het geven van uitvoering aan de kenbare wil van de erflater. Het gaat dan om de volgende drie kwesties (de citaten komen uit voornoemde rede van Spruit).
Casus 1: Saturnius benoemt in zijn testament drie erfgenamen, namelijk Plinius, Calvisius Rufus en de gemeente Comun. Probleem is echter dat het niet mogelijk is om de gemeente Comun tot erfgenaam te benoemen. De gemeente Comun is namelijk een zogenaamde ‘persona incerta’, een persoon met een te onbepaalde identiteit. Tot het einde van de eerste eeuw na Christus was een erfstelling en een legaat ten gunste van een ‘persona incerta’ nietig. Plinius en Calvisius Rufus zouden zich dus op de nietigheid van de erfstelling kunnen beroepen. Plinius doet dat echter niet en stelt aan Calvisius Rufus voor om de erfstelling in het testament te respecteren.
Plinius voelde in deze een morele plicht om de wil van de erflater die hij op ondubbelzinnig wijze kenbaar heeft gemaakt in zijn testament uit te voeren. Spruit schrijft hierover: “Plinius werd alom geacht als een hoogstaand en gewetensvol mens. Zijn standpunt in onderhavige erfrechtelijk kwestie is bijzonder illustratief voor de hoge morele en ethische normen, die hij als fundament van zijn handelen in acht placht te nemen en is voorts tekenend voor zijn sociale bewogenheid en de mildheid van zijn karakter.” De voluntas defuncti (de wil van de erflater) was voor Plinius het richtsnoer voor zijn handelen. Dat blijkt ook uit de volgende twee kwesties.
Casus 2: Sabina benoemt bij testament Plinius en Statius Sabinus tot erfgenamen. In haar testament stond ook een legaat ten gunste van haar slaaf Modestus. Legaten konden echter niet zonder meer ten gunste van slaven worden gemaakt. De bedoeling van erflaatster was echter evident. De bedoeling van erflaatster was dat Modestus direct bij aanvaarding van het legaat zijn vrijheid kreeg en Romeins burger werd. Probleem was echter dat de juiste juridische ‘formule’ daartoe in het testament ontbrak. Het legaat had daardoor geen rechtskracht. Plinius komt echter met zijn mede-erfgenaam Statius Sabinus overeen om Modestus toch vrij te maken.
Casus 3: Minicius Acilianus heeft Plinius in zijn testament benoemd tot zijn erfgenaam. In een codicil neemt hij tevens een aantal aanvullende beschikkingen op ten gunste van derden, maar hij vergeet het codicil in zijn testament te bevestigen. Dat had volgens de wettelijke bepalingen van die tijd wel gemoeten. De beschikkingen in het codicil dienen dan ook ‘pro non scripto’ (als voor niet geschreven) te worden gehouden. Plinius besluit echter de nietige wilsbeschikkingen in het codicil toch uit te voeren, wat als schenking werd gekwalificeerd.
In alle drie de casussen gaat het om een ondubbelzinnig kenbare wil van een erflater die uit een door de erflater opgestelde (en onbetwiste) akte blijkt, maar waarbij sprake is van vormgebreken waardoor de wilsbeschikkingen nietig zijn. Telkens kiest Plinius ervoor om de uiterste wil van de erflater uit te voeren onder negering van de formeel-juridische aspecten. Spruit schrijft hierover: “In het algemeen acht hij de wil van de erflater van een hogere orde dan de vorm, waarin deze gegoten is.”
Ook in onze tijd doet de vraag zich regelmatig voor hoe om te gaan met vormgebreken bij uiterste wilsbeschikkingen. Wat is recht als er bijvoorbeeld al een concept testament ligt, maar de erflater overlijdt kort voordat het testament wordt gepasseerd. Is het dan juist dat het concept testament wordt gevolgd of heeft zo’n concept geen rechtskracht. Recent is hierover nieuwe jurisprudentie ontstaat (zie Rechtbank Gelderland 12 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:1077). Steeds meer lijkt het erop dat rechters ruimte zoeken (wettelijke bepalingen oprekken) met toepassing van de ‘redelijkheid en billijkheid’. Op zich is dat een mooie ontwikkeling, tegelijkertijd komt daarmee de rechtszekerheid meer onder druk te staan.
Voornoemde casussen leren ons dat het recht een instrument is om geschillen op te lossen en dat ethisch handelen om meer vraagt dan het onverkort een beroep doen op wettelijke rechten. Ethisch handelen vraagt ook een kijken naar de ‘plichtenkant’. Het gaat bij ethisch handelen niet alleen om ‘recht hebben op’, maar ook om ‘een verplicht zijn tot’. Nog een keer Spruit: “Het was de humanitas van Plinius, die hem gebood om van verwezenlijking van zijn recht af te zien en de nietige wilsbeschikkingen als waren zijn rechtsgeldig. (…) Plinius overwoog de situatie op grondslag van buiten de sfeer van het recht liggende ethische normen en kwam daardoor tot een conclusie, die diametraal tegenover die van de juristen van zijn tijd stond;”
Waren die Romeinen 2000 jaar geleden dan zoveel nobeler dan de hedendaagse mens? Dat dan ook weer niet. Spruit schijft hierover: “De talloze geschillen van juist erfrechtelijke aard en de vele uitspraken en adviezen, die zich concentreren rondom het probleem van de interpretatie van beschikkingen in het testament, tonen wel aan dat realiseren van deze beschikkingen de Romeinse juristen genoeg hoofdbrekens kostte; zij wettigen ok de stelling, dat men het fatsoen van de gemiddelde belanghebbende Romein in een aangelegenheid van erfrechtelijke aard niet moet idealiseren en zeker niet hoger moet aanslaan dan dat va de gemiddelde moderne mens.” Maar dat neemt niet weg dat we nog steeds wat kunnen leren van de Romeinen.
Auteur: mr. A.C. de Bakker
[1] Prof. mr. J.E. Spruit (1937-2020) was hoogleraar rechtsgeschiedenis en Romeins Recht aan diverse universiteiten (Leiden, Utrecht, Maastricht, Curaçao).

