De legitieme portie en schenking

by
Onterfd

Op 15 februari 2015 wees de rechtbank Overijssel een vonnis waarin het volgende speelde.

Erflater overleed met achterlating van 4 kinderen. Kort na overlijden maken 3 kinderen (A, B en C) een afspraak over de verdeling. B beheerde met volmacht van erflater de financiën van erflater voor diens overlijden. Voor overlijden is uit het vermogen van erflater voor een totaalbedrag van € 25.500,-  aan schenkingen gedaan. Op grond van de afspraak die A, B en C  hadden gemaakt over de verdeling is een bedrag van € 8.529,25 overgemaakt aan het vierde kind (X). Na verloop van tijd start X een procedure op tegen A, B en C. In de procedure stelt X dat B – die de schenkingen uit het vermogen van erflater heeft gedaan – daartoe geen toestemming had van erflater. Verder maakt X aanspraak op zijn legitieme portie.

Hieronder zal ik ingaan op de schenkingen die tijdens het leven van erflater waren gedaan, alsook op de aanspraak van X op de legitieme portie en op het feit dat de A, B en C de nalatenschap hadden verdeeld zonder X daarbij te betrekken.

Schenkingen

De rechtbank staat stil bij het arrest van de Hoge Raad van 13 mei 2005. In dat arrest overwoog de Hoge Raad onder meer:

Het hof heeft – in cassatie niet bestreden – vastgesteld (a) dat niet is komen vast te staan dat [betrokkene 1] ten tijde van de volmachtverleningen en bij de uitoefening van de volmachten niet in staat was zijn wil te bepalen en (b) dat hij bij leven geen aanleiding heeft gezien [verweerder] ter verantwoording te roepen omtrent de wijze waarop hij met de machtigingen is omgegaan. Daaraan heeft het hof kennelijk de gevolgtrekking verbonden dat de desbetreffende geldopnames met instemming van [betrokkene 1] zijn gedaan.

In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat op [verweerder] niet de verplichting rust tot het doen van rekening en verantwoording, aangezien de volmachtverleningen niet een rechtsverhouding hebben geschapen op grond waarvan [verweerder] jegens [betrokkene 1] gehouden is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden, en dat zulk een rechtsverhouding ook nadien niet is ontstaan, omdat [betrokkene 1] bij leven geen bezwaren heeft gehad tegen de wijze waarop [verweerder] van de volmachten heeft gebruikgemaakt en niet is gesteld dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden door de gevolmachtigde.”

De rechtbank oordeelt dan vervolgens in de zaak die ik hierboven schetste het volgende:

“Deze door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten lenen zich voor toepassing op de onderhavige zaak. Het is niet komen vast te staan dat vader ten tijde van de volmachtverlening en bij de uitoefening van de volmacht niet in staat was zijn wil te bepalen en vader heeft bij leven geen aanleiding gezien [B] ter verantwoording te roepen omtrent de wijze waarop zij met de machtiging is omgegaan. Daaraan kan de gevolgtrekking worden verbonden dat de desbetreffende overschrijvingen en opnames met instemming van vader zijn gedaan.

Op [B] rust niet de verplichting tot het doen van rekening en verantwoording.

De schenkingen worden dus geacht overeenkomstig de wil van erflater te zijn geweest en B hoeft dat niet te bewijzen.

De aanspraak op de legitieme portie

De vraag doet zich nu voor waarom X aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie. X was immers niet onterfd. De aanspraak van X op zijn legitieme portie zou te maken kunnen hebben met het feit dat voor overlijden van erflater schenkingen zijn gedaan.

De schenkingen zijn kennelijk gedaan zonder verplichting tot inbreng. Dat betekent dat bij de verdeling van de nalatenschap geen rekening wordt gehouden met gedane giften. Voor de berekening van de legitieme portie wordt echter wel rekening gehouden met bepaalde giften. De rechtbank overweegt dat gebruikelijke giften, voor zover zij niet bovenmatig waren, bij de berekening van de legitieme portie niet in aanmerking worden genomen. De giften onder de € 50,- worden in deze zaak buiten beschouwing gelaten. De rechtbank stelt het bedrag aan giften die voor de berekening van de legitieme portie wel relevant zijn, vast op een bedrag van € 25.500,-.

De berekening van de legitieme is dan als volgt:

– Aanwezige activa op datum overlijden:                 € 23.869,-

– in aanmerking te nemen giften:                               € 25.500,-

De legitieme portie van X bedraagt 0,125 x € 49.367,06 = € 6.170,88.

In het vonnis komt ook nog een bedrag van € 9.555,- naar voren inzake troostgeld. Troostgeld duidt veelal op een vergoeding van verloren levensonderhoud en begrafeniskosten. Het vonnis is niet duidelijk over de grondslag van het verkregen troostgeld alsook niet aan wie dit troostgeld toekomt. Partijen zijn er kennelijk allemaal van uitgegaan dat het hier om een baat van de nalatenschap van erflater gaat. De vraag is echter wel of de aanspraak op troostgeld reeds bestond of ontstond met het overlijden van erflater. Zo dit het geval is, zou de waarde van het troostgeld mijn inziens in aanmerking genomen moeten worden bij de berekening van de legitieme portie. Immers is een vermogensrechtelijke aanspraak een goed ex art. 3:1 BW en dient als peildatum voor het berekenen van de waarde van de goederen van de nalatenschap het tijdstip te worden genomen direct na het overlijden van erflater, zulks ex art. 4:65 jo 4:6 BW.

Verder is duidelijk dat X een bedrag van € 2.529,25 aan erflater was verschuldigd. Het betreft hier een schuld die niet teniet is gegaan met het overlijden van erflater. Om die reden geldt dat ook deze vermogensrechtelijke aanspraak een goed betreft van de nalatenschap die mijn inziens bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking genomen had moeten worden.

Voorts lijkt het er op dat erflater tijdens leven een schenking aan X heeft gedaan voor een bedrag van € 2.000,-. In dat geval zou dit bedrag ex art. 4:70 BW in mindering strekken op de legitieme portie waardoor de legitimaire aanspraak van X lager zou zijn dan de rechtbank nu heeft vastgesteld. De rechtbank gaat er in dit geval van uit dat de legitieme portie gelijk is aan de legitimaire aanspraak. Dit lijkt echter niet het geval te zijn geweest.

De nietige verdeling en vermenging bij toedeling

A, B en C hebben buiten X om een verdelingsafspraak gemaakt en daaraan uitvoering gegeven. Deze verdeling is op grond van art. 3:195 BW nietig. De verdeling wordt geacht nooit tot stand te zijn gekomen. De verjaringstermijn voor het doen opeisen van een nalatenschap bedraagt overigens 20 jaar en vangt aan op de eerste dag na het overlijden van erflater, zulks op grond van art. 3:315 jo 3:306 BW. Partijen hebben mijn inziens hier onjuiste standpunten over ingenomen. De rechtbank passeert die standpunten terecht.

Met voorgaande uiteenzetting is echter nog niet de vraag beantwoord waarom X aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie. Om de waarschijnlijke reden daartoe duidelijk te maken, is het van belang om te berekenen hoeveel X had gekregen indien hij zijn aandeel als erfgenaam zou hebben opgeëist. De rechtbank lijkt deze berekening ook te maken. De rechter neemt dan het aanwezige activa op het moment van overlijden van erflater in aanmerking (€ 23.869,-) alsook het nadien ontvangen troostgeld (€ 9.555,-.). Het totaal daarvan deelt de rechtbank door 4 om welke reden aan elke partij een erfdeel ter waarde van € 8.355,52 zou toekomen.

Indien zowel A, B, C als X zouden optreden als erfgenaam, dan zou ook in het kader van de berekening van de waarde van de erfdelen rekening gehouden moeten worden met de vordering van de nalatenschap op X voor een bedrag van € 2.529,25. Het is mijn inziens juist dat de gedane giften niet in aanmerking worden genomen. Er is immers geen verplichting tot inbreng opgelegd, althans gaan alle partijen daar van uit. De waarde van elk erfdeel zou alsdan (€ 35.953,25 / 4) € 8.988,31 hebben bedragen. Bij de verdeling zou de vordering van de nalatenschap op X aan X toebedeeld kunnen worden. De vordering gaat dan wegens vermenging teniet. X zou dan uitbetaald moeten krijgen een bedrag van € 6.459,06.

Het had kunnen zijn dat wegens de gedane giften voor overlijden de legitimaire aanspraak van X hoger zou zijn geweest dan diens erfdeel. Wellicht is X daar bij de inzet van de procedure ook van uitgegaan.

De gehele uitspraak is hier te lezen.

Uitleg over de berekening van de legitieme portie is hier te vinden.